Beroepseer en hufterigheid

Dienstbaar en waakzaam is het motto van de Nederlandse politie. Het zou met evenveel betekenis van toepassing kunnen zijn op ambulancepersoneel, de brandweer, artsen of geestelijken. Dienstbaar zijn voor en waken over de veiligheid van de burger. De mens waakt over en zorgt voor de mens, dat is pas echte naastenliefde.
Mooie woorden, maar als je zelf in zo’n beroepswereld leeft en werkt, ga je er wel eens aan twijfelen. Niet zozeer aan de diepe betekenis, maar wel aan de praktische toepassing van dat motto in jouw werk. Elke beroepstak zal haar motto op een eigen manier in de praktijk uitwerken. Over naastenliefde wordt niet zo openlijk gerept, dat is voor geloof en kerk. In onze politiewereld gaat het vaak om beroepseer, terwijl we net zo goed kunnen spreken over beroepszeer.

Verbale agressie en geweld tegen hulpverleners komen steeds vaker voor, met de regelmaat van de klok hoor en lees je berichten over ernstige hinder en bedreiging van en zelfs fysiek geweld tegen hulptroepen, waardoor in sommige gevallen zelfs mensenlevens op het spel komen te staan. Je ziet medewerkers in die beroepen eraan onderdoor gaan, er zijn er die angstig en onzeker worden en er raken er steeds meer burnout.

In mijn tijd als diender en rechercheur kreeg ik ook klappen, maar ik deelde ook uit. Ik kan mij geen incident uit mijn loopbaan herinneren dat mij langdurig geestelijk in problemen heeft gebracht. In mijn herinnering kwam het nooit voor dat ik andere hulpverleners heb moeten beschermen tegen agressieve omstanders. Het lijkt een fenomeen van deze tijd te zijn.
Mogelijk is een reden hiervoor te vinden in de verandering van de samenleving, die meer en meer individualistisch, materialistisch en opportunistisch is geworden. Vrijheid van meningsuiting kreeg de lading van zeg maar vooral wat je denkt. Fatsoensnormen werden aan de laars gelapt, het respect voor elkaar sloeg om in persoonlijke, directe aanvallen. De hufters in de samenleving lieten zich horen en zien. Die veranderingen zag je ook in de politiek met de opkomst en populariteit van Geert Wilders. Op tv verschenen programma’s die opriepen en aanmoedigden tot persoonlijke ontboezemingen en ongezouten meningsuitingen. Internet en de mobiele telefonie namen een vlucht, overal werd vanalles opgenomen en via You Tube de wereld in geslingerd. Politiemensen en andere hulpverleners die voornamelijk in de publieke domeinen opereerden, werden de kop van Jut. Zij werden de gemakkelijke prooi van de hufters, die deze dienaren van de samenleving onbeschoft en onbeschaafd bejegenden.

Het is makkelijk om als buitenstaander vanaf de zijlijn daar iets over te zeggen, maar dat draagt niet altijd bij aan een oplossing voor het probleem. Politici, bestuurders, managers en media roepen en schrijven er over alsof zij er middenin zitten. Dat leidt tot verhitte discussies en onbegrip over en weer.  Als ervaringsdeskundige durf ik het mezelf te permitteren iets over deze problematiek te zeggen. Ruim eenenveertig jaar ben ik politieman, waarvan zo’n zevenendertig jaar in de frontlinie, als geüniformeerde politieagent of als rechercheur in een burgerkloffie. In elke crisissituatie waarmee ik beroepsmatig te maken kreeg, was er sprake van minstens twee partijen, het ging altijd om de een én de ander, ik als diender tegenover de dader en/of het slachtoffer. In andere beroepstakken gebeurde dat ook, het was de brandweer die hinder ondervond van ramptoerisme, de verkeersregelaar die het aan de stok kreeg met verkeersdeelnemers die persé door de afzetting heen wilden. Zo was het in de jaren zeventig en zo is het anno 2011 nog steeds. De conflicten zijn in aantal en hevigheid toegenomen. Agressie en geweld tegen hulpverleners namen ook toe.

De confrontatie tussen hulpverleners en hulpbehoevenden kwam onder druk te staan, want het werd voor politie, brandweer en ambulance onveiliger, het werk kon niet altijd meer gedaan worden, soms moesten hulpverleners zich zelfs terugtrekken, het slachtoffer achterlatend. Vandaag de dag moet er soms gewacht worden op de komst van de politie om de weg vrij te maken voor het verlenen van noodzakelijke hulp aan gewonden van vechtpartijen. In sommige uitgaansgebieden gaat de ambulance pas naar een incident als de politie hen begeleidt.  Niet bij een ramp overigens, dan is er niets anders dan oprechte lof, maar ja, in een akkerveld bij Schiphol doden en gewonden uit een neergestort vliegtuig halen is van een geheel andere orde dan een gewonde verzorgen tussen een aantal opgefokte dronkelappen. Bij een ramp zijn de overlevenden ontzettend blij dat zij nog leven en is er ontzetting over de doden en gewonden. In die chaos van dood, pijn en emotie is elke vorm van hulpverlening van harte welkom. Bij gewonden in het uitgaansleven is dat anders, want daar hebben de mensen vaak te diep in het glaasje gekeken, men raakt met elkaar in conflict en slaat erop los. Omstanders bellen politie en ambulance, terwijl de ruziemakers daar helemaal niet om vroegen. Het slachtoffer is meestal blij dat er hulp komt, maar de dader wil daar niets van weten. Hij wil de ander nog meer toetakelen en wil voorkomen dat hij door de politie wordt meegenomen. In het uitgaansleven is niet alleen drank in het spel, er worden meer en meer drugs gebruikt. De uitwerking hiervan kan op de gebruiker agressief en gewelddadig zijn. Voor de ruziemakers kan dit gebruik een reden zijn dat men geen politie erbij wil hebben.

In de discussies wordt door ondernemers, bestuurders en politici naar elkaar gewezen, het zwarte pietenspel viert hoogtij, niemand voelt zich écht schuldig aan de toename van het geweld en het excessief gebruik van alcohol en drugs in het uitgaansleven. Mensen durven meer te zeggen dan dat zij zelf tot voor kort voor mogelijk hielden. Het lontje wordt steeds korter, de een roept dat wat hij zegt een vorm van vrije meningsuiting is, Een ander beweert dat je niet mag beledigen of oproepen tot haat. Van laag tot hoog in onze samenleving ontstaan uitwassen. Geert Wilders wordt in eigen land door velen uit de politiek verguisd en gehaat vanwege zijn anti Koranfilm Fitna1, zodra hij vanwege diezelfde film en uitlatingen in Engeland wordt geweerd, staan diezelfde politici op hun achterste poten dat dit een ernstige aantasting van de vrijheid van meningsuiting is. Het is om schizofreen van te worden.

Agressie tegen hulpverleners heeft de aandacht van management, politici en bestuurders, ze roepen allemaal in koor: handen af van onze hulpverleners. Hier moet toch iets zinvollers over te zeggen zijn? En hoe denkt de politie zelf over dit probleem?

Binnen de politiewereld bestaan mensen die zich openlijk zorgen maken over de beroepseer, die op zoek gaan naar de nieuwe essentie, de wezenlijke waarde van het politieberoep.

Het werd voor mij pas echt duidelijk wat de diepste kern van het politieberoep was. toen ik op de website www.beroepseer.nl een artikel las van Jaco van Hoorn, districtschef van het regiopolitiekorps Hollands-Midden. Hij schreef letterlijk: “De essentie van het politieberoep is te vinden in de betekenisvolle ontmoetingen tussen politiemensen en burgers. Daar wordt het basisvertrouwen van mensen in de politie geschapen en onderhouden. In iedere situatie het juiste doen, dat is het ambachtelijke van het politieberoep. Het gaat daarbij onder andere om troosten, steun geven, helpen, aanspreken, beschermen, corrigeren. Soms zelfs allemaal tegelijk. Deze kern dreigt men de laatste jaren uit het oog te verliezen, doordat de centrale overheid meer op resultaten is gaan sturen. Leidinggevenden moeten de processen-verbaal, de bekeuringen en doorlooptijden gaan tellen. Dat is op zich prima. Het risico is echter dat de leidinggevenden gaan denken dat alleen het telbare betekenis heeft. Wat de leiding telt, is echter niet wat de agent thuis verteld. Ook het ingevoerde procesmanagement heeft risico’s: als we denken dat meer protocollen automatisch leiden tot beter politiewerk en meer vertrouwen van burgers vergist men zich. Vertrouwen in de politie hangt af van wat er van geval tot geval op straat tussen burgers en politie gebeurt…”

Het gaat dus volgens Van Hoorn om betekenisvolle ontmoetingen tussen hulpverleners en burgers. Slachtoffers gedragen zich meestal niet agressief, zij zijn afhankelijk, onderdanig, kruipen weg in een hoekje, durven zich niet goed te uiten. Daders daarentegen slaan erop los, zij schreeuwen het hardst en deinzen nergens voor terug. In een hulpverleningssituatie komt het slachtoffer in de meeste gevallen zélf niet in opstand, die is blij dat er iemand komt opdagen om hem of haar van pijn of andere ongemakken af te helpen, of ervoor zorgen dat hij of zij zo snel mogelijk in een ziekenhuis terechtkomt. Nee hoor, het zijn vaak de omstanders of indirect betrokkenen, mensen die toevallig aanwezig zijn, die voor de problemen zorgen. De hulpverlener staat tussen deze partijen in en probeert gewoon zijn of haar werk te doen.

Ik heb mij zelden of nooit aan de ene of de andere kant van partijen gevoeld. Ik stond er middenin en probeerde te bemiddelen of de partijen in elk geval uit elkaar te halen of te houden. Er werd tegen mij gescholden, soms werd ik geslagen of geschopt, maar dan trad ik hardhandig op. Dat geweld liet ik niet toe, omdat mijn beroepseer erdoor werd aangetast. Toen ik als diender in uniform mijn werk deed was dat gevoel sterker dan als rechercheur in burgerkleding.
Van alle kanten – vooral vanuit de politiek en bestuur – wordt hufterig gedrag afgewezen, allerlei maatregelen worden afgekondigd en de roep om hardere straffen klinkt steeds luider. Of dat zal helpen is nog maar de vraag. Vermoedelijk zal er iets wezenlijks gebeuren wanneer de schreeuwers in staat zijn om zichzelf de spiegel voor te houden om dan vervolgens tot het besef te komen wat de diepere betekenis is van de uitdrukking: wat je zegt ben jezelf.

Misschien moeten wij met z’n allen meer in balans met onze gevoelens handelen, wellicht kunnen wij daarmee agressie en excessen voorkomen.

In dit verband kom je al snel op het thema bejegening. Menselijk contact is de graadmeter voor de manier waarop wij elkaar behandelen. Toen ik als politieman in een vechtpartij verzeild raakte, sloeg ik erop los, want de knokpartij moest eindigen. Ik realiseerde mij helemaal niet dat ik net zo goed mee deed aan die knokpartij. Vanuit mijn functie vond ik het heel rechtmatig dat ik er met de knuppel op los sloeg. Achteraf verantwoordde ik dat keurig in een proces-verbaal, vanuit de oprechte overtuiging dat ik juist had gehandeld. Ik ben in al die jaren nooit disciplinair gestraft of door een rechter op de vingers getikt, hetgeen mij nog meer overtuigde in mijn opvatting. Als ik tegen mensen begon te schreeuwen, die tegen elkaar krakeelden, drong het niet tot mij door dat ik net zo hard meedeed aan het gekrakeel en anderen net zo hard beledigde of bedreigde als die mensen dat deden. Mijn graadmeter was de legitimiteit van mijn openbare functie.

Hulpverleners zijn échte mensen, net zoals de andere betrokkenen. Ieder mens, dus ook de hulpverlener, draagt z’n eigen persoonlijke leven altijd met zich mee, of hij een beroep uitoefent of niet. Cursussen, opleidingen en ervaringen zullen bijdragen tot ‘n stuk bewustwording, zodat de dienstbaarheid intenser wordt beleefd en de waakzaamheid toeneemt, ook ten opzichte van jezelf.

Mijn motto is: bewijs jezelf een dienst en wees waakzaam over jezelf.
Ik besef nu wat beroepseer inhoudt, het is het gevoel belangrijk te zijn voor de samenleving, het gevoel voornaam werk te doen, een beroep te hebben dat er toe doet. Beroepseer betekent voor mij tevens dat ik trots mag zijn op het dragen van het uniform en dat dit een grote verantwoordelijkheid met zich brengt. Het uniform straalt gezag uit naar de samenleving en ik ben een mens die het mag aantrekken. Het maakte mijn positie al die jaren binnen de samenleving bijzonder.

In de loop van mijn carrière kwam de beroepseer een tijdje onder druk te staan doordat ik mij min of meer had vervreemd van de kern, zoals die door Jaco van Hoorn zo treffend wordt beschreven. In die periode van mijn beroepsleven wist ik diep in mijn hart dat ik opnieuw op zoek moest gaan naar die kern en dat ik vervolgens rustig naar mijn pensioen kon toeleven. Het kostte moeite, maar ik ben teruggekeerd tot de essentie van mijn beroep.

Het was zeer de moeite waard.

@Jacques Smeets 2011

1 Fitna. Een 16 minuten durende anti-Koranfilm van Geert Wilders, politiek leider van de Partij voor de Vrijheid (PVV). De film leidt onder de moslims tot protesten en bedreigingen. Wilders komt in 2010 Engeland niet binnen vanwege de film.

Laat een bericht achter.