De Gekooide Recherche

De gekooide rechercheIn dit boek constateert de auteur dat de sociale cultuur binnen de politie de eigen slagvaardigheid schaadt en hoe de organisatie zichzelf dwarszit in de uitoefening van haar taken: misdrijven oplossen en criminaliteit beheersen. Als oud-politieman met een 43-jarige loopbaan achter de rug, waarvan ruim 12 jaar tactische recherche-ervaring, wist ik natuurlijk wel waar ik aan begon toen ik dit boek ging lezen.

De Gekooide Recherche mag best een bijzonder boek worden genoemd omdat Princen vanuit een totaal andere cultuur kwam, alvorens hij zijn beroep verwisselde met dat van een financieel rechercheur bij de politie. Vóór zijn “politieleven” van ruim 10 jaar was hij jarenlang onderzoeksjournalist voor De Telegraaf, Peter R. de Vries en FEM Business. Niet bepaald organisaties die veel raakvlakken hebben met het échte politiewerk.
In 2004 wordt hij financieel rechercheur van de Amsterdamse politie. Tien jaar later besluit Princen, met pijn in het hart en enigszins gefrustreerd, de recherche te verlaten en zijn ervaringen in dit boek op te schrijven.

Als financieel rechercheur doet Princen jarenlang (langdurige) onderzoeken naar het witwassen van afgeperste miljoenen door Jan-Dirk Paarlberg. Hij werkt mee aan andere onderzoeken naar witwassen, oplichting, verduistering en valsheid in geschrifte en hij krijgt te maken met de grote liquidatiezaken in de hoofdstad. Al enkele weken na zijn aanstelling draait hij mee in het onderzoek naar de afpersing van Willem Endstra door Willem Holleeder.
De verandering is voor hem een soort aardverschuiving. Opeens staat hij midden op plaatsen delicten waar liquidaties in het criminele milieu hebben plaatsgevonden. Hij doorzoekt riante villa’s, kastelen en andere woonhuizen van de mensen waarover hij in de media berichtte, van slachtoffers uit de liquidatiegolf en hij krijgt inzage in alle relevante stukken die nodig zijn om politieonderzoeken naar witwassen e.d. tot een goed einde te brengen.

In de eerste vier hoofdstukken beschrijft de auteur voornamelijk die grote onderzoeken, zonder uitgebreid in te gaan op de talrijke bottlenecks en zwakke plekken binnen de opsporing, waarover hij zijdelings een aantal opmerkingen plaatst. Die komen pas in hoofdstuk V (Het kerkhof van de kansrijke zaken) nadrukkelijker aan bod. Hij heeft het dan enerzijds over de vele zaken, die volgens hem meer dan voldoende onderzoek in zich hebben om er een “ronde” zaak van te maken maar niet worden opgepakt en afgerond. Anderzijds beschrijft Princen uitgebreid de klaagcultuur over gebrek aan capaciteit en over de waan van de dag, waardoor zaken niet voldoende worden onderzocht.
Princen raakt geleidelijk aan gefrustreerd doordat hij te vaak wordt geconfronteerd met zaken die op de plank blijven liggen, worden af- of doorgeschoven en met zaken die niet voldoende worden onderzocht.

Zijn rol als financieel rechercheur binnen een executieve politieorganisatie is een administratieve/ondersteunende. Toen ik tactisch rechercheur was kreeg ik wel vaker te maken met collega’s van de financiële recherche. Zij onderzochten meestal de inbeslaggenomen administratie van drugscriminelen. De processen-verbaal die zij maakten werden meestal als bijlagen bij het dossier gevoegd. Zelf had ik nauwelijks verstand van zo’n financieel onderzoek.
Het is in die zin begrijpelijk dat Princen schrijft over believers binnen de politie, die de informatie gestuurde politie als de toekomst prediken. Er gaat immers een grote voorspellende waarde uit van statistische gegevens, dus ook van boekhoudingen en soortgelijke administraties. Tactisch rechercheren is heel anders en daarbij komt dat deze rechercheurs nog talrijke andere taken uitvoeren (dossiervorming, cursussen, briefen, verhoren, piket, beroepsvaardigheidstrainingen etc.).
Zij draaien talloze en vooral diverse onderzoeken, die variëren van diefstal en mishandeling tot afpersing en moord. Vrijwel dagelijks liggen er ‘s ochtends nieuwe zaken, voortkomende uit de piketdienst en/of andere nieuwe opgenomen aangiften, die bijstelling van prioriteiten eisen.

Princen onderschat mijns inziens de enorme diversiteit en complexiteit van het politieberoep en dat van de tactische recherche. Die onderschatting zou een reden voor zijn frustraties kunnen zijn.
Het is ook een wezenlijk verschil dat hij ongewapend zijn werk doet, hetgeen betekent dat hij vrijwel nooit zijn werkzaamheden in de frontlinie hoeft te doen. Daardoor hoeft hij ook niet aan allerlei verplichtingen te voldoen waaraan executieve collega’s wel aan moeten voldoen.
Het boek wekt op mij de indruk dat Princen met een té hoog verwachtingspatroon de overstap maakte en dientengevolge evenredig zwaar teleurgesteld raakte.

In hoofdstuk X (Van heilig vuur naar blauwe waakvlam) beschrijft Princen vanuit het niets plotseling onder welke omstandigheden (slechte huisvesting, ondraaglijke herrie, gedrag van collega’s, chefs, de bureaucratie e.d.) hij zijn werk – het échte recherchewerk, zoals hij de onderzoeken naar liquidaties, berovingen en witwassers zelf noemt – moest doen en al die jaren heeft gedaan. Hij laakt de gebrekkige en onvolledige processen-verbaal die voor frictie zorgen tussen de politie en het Openbaar Ministerie.

Na 10 jaar stapt hij boos, onmachtig, verdrietig en opgelucht op en gaat hij op zoek naar rust.

Het boek is voor politiemensen en/of rechercheurs min of meer een bevestiging van bepaalde hardnekkige structuren die binnen de politiewereld blijkbaar heel moeilijk uit te roeien zijn. Tegelijkertijd zegt het vrij weinig over de veelzijdigheid/complexiteit van het beroep en dientengevolge de totaal andere werkdruk en -beleving van de executieve recherche. Princen gaat niet uitgebreid op zoek naar verklaringen van die patronen, maar beperkt zich tot zijn werk- en organisatiegebied. Ik lees ook nauwelijks iets over de impact die regelmatige confrontatie met agressie, geweld en menselijk leed (onnatuurlijke dood, secties etc.) op het individu heeft. In genoemd hoofdstuk X doet hij een voorzichtige poging om redenen te vinden voor de onverschilligheid en het gebrek aan productiviteit van sommige rechercheurs.

Aan het slot van het boek is bij mij de indruk ontstaan dat Princen de complexheid van het beroep en de hiërarchische machocultuur heeft onderschat en dat de overgang van de wereld van de journalistiek naar de rauwe werkelijkheid van de politie én de criminele wereld té heftig was.
In die zin is het een zeer nuttig boek voor politie en justitie, aangezien het juist die enorme verschillen laat zien en tegelijkertijd een aantal redenen blootlegt waarom oplossingspercentage relatief zo laag blijven. Het boek heeft hier en daar ook de werking van een spiegel, zowel voor medewerkers als voor chefs.

Het boek is voorzien van een uitgebreide lijst van door de auteur geraadpleegde literatuur en van een namenregister.

De Gekooide Recherche

Auteur :        Michiel Princen

Uitgeverij:   Prometheus – Bert Bakker

ISBN:           9789035142480

Paperback: 391 bladzijden.

Prijs:           € 18,95

Te verkrijgen in de boekhandel en in webwinkels.

E-book:      € 10,88

Recensie geschreven door:
Jacques Smeets

oud-politieman en auteur van De Blauwe Diender

www.deblauwediender.nl

 

 

2 Comments

  1. Wat een uitstekende recentie! Ik vond het boek van Princen zeer waardevol, deze recentie voegt daar veel aan toe.

    Reply

Laat een bericht achter.