De sollicitatie

De laatste tijd lees ik veel artikelen over diversiteit binnen de politie, over problemen die zich m.n. onder allochtonen zouden voordoen en dat de wervingsprocedure en verlaging van sollicitatiedrempels daar mede oorzaak van zouden kunnen zijn. Dat is natuurlijk een enorm complex onderwerp, dat ik hier niet in een artikeltje kan omschrijven. Ik laat dat liever over aan experts.
Tijdens het lezen van een aantal van deze artikelen moest ik wel regelmatig terugdenken aan de tijd dat ik solliciteerde bij de politie. Dat was in het voorjaar van 1969. In een totaal ander tijdsgewricht, in een geheel andere wereld. In mijn autobiografische kroniek De Blauwe Diender heb ik een heel hoofdstuk gewijd aan mijn sollicitatie toentertijd. Als je dit leest – hetgeen wel iets meer tijd vergt dan mijn andere berichten op deze website –  dan begrijp je wellicht iets beter waarom de huidige lichtingen jonge politiemensen heel anders zijn dan die van mijn generatie.

Trots op je beroep

De Sollicitatie

Het was een zonnige dag in het voorjaar van 1969. Ik liep een beetje zenuwachtig en met kloppend hart, in mijn eentje het politiebureau van Geleen binnen en meldde mij daar bij de politieman die de lezing op school had gegeven. Het was een voor mij totaal onbekende omgeving, het door mij uitgehaalde kattenkwaad had nooit geleid tot een arrestatie. Soms hoorde ik wel eens vertellen dat jongens uit het dorp daar in een cel strafwerk hadden moeten schrijven. Volgens mij moesten zij dan wel iets heel ergs hebben uitgespookt. Ik was er nog nooit geweest, terwijl ik toch heel wat strafwerk achter mijn naam had staan.

Een vriendelijke grijze man in uniform bracht mij naar de betreffende politieman en ik merkte dat ik mij eigenlijk best op mijn gemak voelde toen ik eenmaal binnen was. Het uniform dat de man droeg werkte niet als barrière. Een mengelmoes van pratende mensen, het geluid van typemachines, de muziek die ergens achter een deur vandaan klonk en de mensen in uniform die door het gebouw liepen, vond ik prettig. De sfeer stelde mij gerust.

De politieman keek mij met fronsende wenkbrauwen aan. Hij vroeg wat mij er toe had aangezet om te willen kiezen voor het politieberoep. Uit volle overtuiging vertelde ik dat de verschillende mogelijkheden binnen de politie, de contacten met mensen en de wisseldiensten mij wel aanspraken. Zo eerlijk als ik was, zei ik ook dat ik vast werk en inkomen aantrekkelijk vond, want ik had van huis uit geleerd dat dit een eerste prioriteit was om een zelfstandig bestaan te kunnen gaan opbouwen. De adjudant gaf mij uitleg over wat mogelijk en onmogelijk was. In Geleen waren op dat moment geen vacatures, wel in andere steden zoals Maastricht, Weert en Breda. Daar kon ik solliciteren. Ik kreeg van hem een briefje met adressen mee en met een gelukzalig gevoel kuierde ik huiswaarts. De zonnestralen verwarmden mijn huid en innerlijk voelde ik een aangename spanning.

Elke dag keek ik vol verwachting uit naar de postbode en ja hoor, er kwamen reacties binnen. In Breda bleken de vacatures te zijn ingevuld en ik werd van daaruit doorgestuurd naar Roosendaal en Nispen in West-Brabant. Enige tijd later kreeg ik uitnodigingen voor gesprekken in die gemeente en ook voor Maastricht en Weert. Het liep voortvarend.

De oproep in Weert leidde tot een sollicitatiegesprek met de korpschef hoogstpersoonlijk. Mijn sollicitatie bij de politie was blijkbaar zó belangrijk dat de hoogste baas van het korps met mij wilde spreken. Hij stelde mij vragen over de oorlog in Vietnam, over mijn geloof en over normen en waarden. Echt waar, blijkbaar was kennis over deze onderwerpen in die tijd van levensbelang om een goede politieman te worden. Ik snapte echter niet wat ik met de oorlog in Vietnam te maken had. Ik had hele andere dingen aan het hoofd. In die tijd trok ik met de kermisexploitant uit het dorp door het land. Op de carrousel had ik echt geen tijd om mij te verdiepen in politiek en oorlogsperikelen. Wat had een godvrezende jongen die akelig droomde over hel en vagevuur in godsnaam met conflicten aan de andere kant van de wereld te maken? Wat had religie met politiewerk te maken? Met een lichte trilling in mijn stem vroeg ik aan de commissaris wat het verband was tussen de oorlog in Vietnam en mijn geloof. Hij reageerde nogal geïrriteerd en zei dat het een aankomend politieman betaamde zich te verdiepen in dergelijke vraagstukken omdat algemene kennis en inzicht van belang zijn om eerlijk en rechtvaardig te kunnen functioneren.

Ik vermoed dat de afwijzing, die een paar weken later per brief thuis werd bezorgd, niet zozeer het gevolg was van mijn gebrekkige kennis over de oorlog in Vietnam, maar dat het meer te maken had met mijn schaamteloosheid om zijn serieuze vraag in twijfel te trekken.

In Maastricht en in Roosendaal en Nispen de testen en gesprekken positief, er werden geen rare vragen over oorlog en geloof gesteld. De ontvangst was hartverwarmend, dat kan ik mij nog heel goed herinneren. In het hoofdbureau van Roosendaal zaten zelfs een man of vier in uniform aan tafel, allemaal in hoge rangen, tot en met de korpschef. Was dit beroep werkelijk zó belangrijk? Na een kwartier voelde ik mij op mijn gemak en ik kreeg de indruk dat men mij daar in het westen van de provincie Noord-Brabant graag zag komen.
In Maastricht moest ik eerst een paar tests ondergaan, een gesprek was blijkbaar nog niet belangrijk. Tijdens een van de proeven moest ik in het politiebureau aan het Vrijthof – tegenwoordig het Theater aan het Vrijthof – een schriftelijke toets afleggen. Wij waren met een stuk of dertig andere jongens en meisjes. Tieners van een jaar of zestien, zeventien of hooguit achttien, de meeste nog hartstikke groen achter de oren. De politie was toe aan vernieuwing en daarvoor moest een hele lichting jonge mensen worden geronseld. Jeugdige, onbedorven adolescenten met een sterk rechtsbewustzijn, met het hart op de juiste plaats.

Ik betrad het monumentale pand via een imposante deur en moest mij aan een klein loket, rechts van de ingang melden. Het ijzeren hek dat toegang bood tot de grote hal werd elektrisch geopend en vervolgens moest ik een grote brede indrukwekkende trap oplopen, zo’n trap waar je zowel links als rechts naar boven kon. Ik waande mij tientallen jaren terug in de tijd. Bovengekomen werd ik door iemand opgevangen en die bracht mij een etage hoger naar een muf en veel te warm lokaal, waar meerdere jonge sollicitanten zaten te wachten. De schriftelijke toets bestond uit het invullen van een Nederlands dictee en het maken van een opstel. Beheersing van de Nederlandse taal was in die tijd erg belangrijk voor een politieagent, want alles moest met de hand geschreven worden of met een Remington worden getypt. Na enkele bemoedigende woorden van de voorzitter van deze toetsronde konden wij weer vertrekken. Die schriftelijke proef doorstond ik blijkbaar met verve, want ik kreeg snel daarna een brief thuis waarin mij werd meegedeeld dat ik mij moest aanmelden voor een sportkeuring in het plaatselijke MVV-stadion De Geusselt te Maastricht. Hier maakten vermaarde Nederlandse en internationale voetballers in die tijd furore.

De sporttoets vond ik wel spannend, ik voelde dat het serieus begon te worden. Het was afzien, ik moest hoog- en verspringen, kogelstoten en speerwerpen, honderd meter sprinten en vijftienhonderd meter hardlopen. Maar ik haalde het wel en zo was ik zeer dichtbij mijn doel. Gaandeweg de procedure en toetsen werd ik fanatieker. Na die beproevingen kwam ik thuis en ik stak niet langer meer onder stoelen of banken dat ik een belangrijke keuze had gemaakt. Ik wilde heel graag mijn enthousiasme uiten.
Positieve respons bleef echter achterwege. Mijn moeder was teveel met haar eigen beslommeringen en vooral kinderen bezig. Vader had het te druk op zijn werk en met zijn hobby’s elektronica, fotografie en tuinieren. Het ontmoedigde mij niet, integendeel, het fanatisme om door te zetten groeide gestaag.
Na de lichamelijke beproevingen volgde nog een psychologische test en ook die doorliep ik met goed gevolg. De onbewuste sterke motivatie, mijn rechtsgevoel en loyaliteit én de drang om gezag en autoriteit uit te kunnen gaan stralen, moeten daar zonder meer uit de rekensommetjes en de door mij getekende figuren, tot uiting zijn gekomen

Voordat ik de uitslag kreeg, kwam iemand van de politie thuis op bezoek voor een gesprek met mijn ouders en mij. Pas veel later begreep ik, dat dit zoiets als een veiligheidsonderzoek was, men kwam een kijkje nemen in mijn leefomgeving en herkomst. Best wel interessant zo’n bezoek, want stel je voor, er komt een belangrijk iemand van de gemeentepolitie Maastricht met jouw ouders praten over jou? Niet omdat je iets uitgespookt hebt, maar omdat je hebt gesolliciteerd, omdat ze jou graag in het korps willen hebben.
Mijn vader was er niet, die was op zijn werk. Maar goed ook, wie weet wat hij allemaal gezegd zou hebben? Hij was iemand die weinig ophad met gezag en autoriteit. Mijn moeder was al lang tevreden dat er straks meer geld binnen zou komen. Het gesprek verliep in een gemoedelijke sfeer, er viel geen onvertogen woord. Wist ik veel, dat er gekeken werd of er geen linkse of rechtse extremistische politieke opvattingen heersten in huize Smeets. Oproerkraaiers en rebellen waren natuurlijk niet welkom. De politie was per slot van rekening met een wervingscampagne bezig en dus op zoek naar loyale mensen, mensen die bereid waren opdrachten uit te voeren en daar voor honderd procent achter zouden staan.

Op een dag, ergens in juli 1969 ontving ik de verlossende brief, of eigenlijk waren het er twee, eentje uit Maastricht en een uit Roosendaal en Nispen. Ik was bij beide korpsen aangenomen. Wat een luxe, ik kon kiezen. Natuurlijk koos ik voor Maastricht, want voor een Limburgse dorpsjongen was het westen van Nederland toch wel erg ver weg.
In Maastricht zou ik mijn sporen gaan verdienen op het gebied van ordehandhaving, criminaliteitsbestrijding en hulpverlening. Over Maastrichtenaren werd in ons dorp niet al te complimenteus gesproken, ik begreep dat toen niet helemaal, want ik kende geen Maastrichtenaren. Een apart volkje, arrogant en betweterig waren ze, zo klonk het uit de mond van mensen die dat klaarblijkelijk wisten. Als puber was ik een paar keer in een dancing geweest om daar stickers te gaan halen. Dat was toen een rage, je kreeg ze zowat in elke kroeg. Zo onschuldig waren wij toen. Wij gingen toen niet naar de grote stad om een jointje te roken of om drugs te kopen, dat bestond toen nauwelijks. Er hing in die kroegen wel een weeïge lucht. Dat zullen wel drugs geweest zijn, maar ons trok dat niet aan. Wij kwamen voor de stickers en een pilsje.
In die stad zou ik als politieman gaan werken. Dat beloofde wat. Op het vermaarde Vrijthof, in een politiebureau dat al eeuwen oud moest zijn, daar zag ik mijzelf rondlopen, fier in het uniform. Wat zouden ze thuis opkijken? Ik verlangde ernaar te beginnen met de opleiding, een nieuwe uitdaging lag in het verschiet.

Toen ik besefte dat ik was aangenomen was ik ongelooflijk blij. Eindelijk, ik wás iets, ik betekende iets voor anderen, ik voelde erkenning, een gevoel dat ik tot dan niet had gekend. Mijn trots reikte tot in de hemel. Nu kon ik mijn ouders eindelijk laten zien dat ik zelfstandig tot iets in stáát was. Mijn zelfvertrouwen groeide. Mijn moeder was wel fier op mij, maar ze zei er verder niet zoveel over. Mijn vader liet niet echt blijken wat hij ervan vond. Misschien zagen mijn ouders toen alleen maar het extra inkomen dat zij elke maand zouden krijgen? Zou mijn vader innerlijk niet een beetje tevreden zijn geweest? Ik hoopte het stilletjes wel natuurlijk, want welk kind wil niet graag dat zijn vader blij voor hem is? Misschien herkende hij zijn eigen onmacht ten opzichte van beambten die hem op het Stikstof Bindingsbedrijf (SBB) altijd hadden gekleineerd? Zou hij innerlijk misschien een beetje jaloers zijn geweest op zijn zoon, die het had klaargespeeld om zelf een autoriteit te worden en die het gezag over anderen ging laten gelden? Ik heb het hem niet durven vragen. Hij heeft dat ook nooit tegen mij uitgesproken, ik zal het nimmer te weten komen, want mijn vader is al ruim twintig jaar dood.

Intussen zijn er heel wat jaren voorbij gegaan en is bij mij het inzicht ontstaan dat ik niet alleen op rationele gronden voor het politieberoep heb gekozen. Ik moet mij als 17-jarige jongeman onbewust op een natuurlijke en wetmatige manier aangetrokken hebben gevoeld tot dit vak. Mijn keuze had te maken met het latente verlangen iets te leren begrijpen van het leven. In die tijd kon ik niet bevroeden, dat ik er ruim dertig jaar later achter zou komen dat mijn vader en al die andere mensen in mijn omgeving, mijn levensomstandigheden en de situaties waarin ik verzeild raakte, de nóódzakelijke factoren zijn geweest om die beroepskeuze gestalte te kunnen geven. Ik werd als het ware in die optie gedreven, zonder dat ik mij daar bewust van was.

Mijn eerdere gevoelens voor andere (vrije en creatieve) beroepen waren door de jaren heen verdoofd geraakt. Waarschijnlijk door een soort natuurlijk afweermechanisme, een manier van leven dat zich uit bittere nóódzaak manifesteerde, want ik moest toen overleven! Dat overleven deed ik nog heel lang, niet meer als kind of puber, maar als volwassen politieman.

Ik stond aan de vooravond van een enerverend beroepsleven.

6 Comments

  1. Nou, Jacques, ik heb je artikel nogmaals gelezen en kan je vertellen, dat jij al verder was gekomen in die tijd, dan ik.

    Ook ik solliciteerde bij de politie en zou politieman worden in Weert, bij korpschef Onna, meen ik me te herinneren, maar werd afgewezen, omdat ik slecht 1.71 m lang was en dat moest 1.72 m zijn.

    Daarna werd het dus Macintosh.

    Verder kan ik je vertellen, dat ik vlak voor dat pap overleed gesprekken met hem heb gevoerd en in één van die gesprekken, ongeveer 5 dagen vóór dat hij overleed, liet hij elk kind de revue passeren, inclusief de aangetrouwden en wat hij er van vond en ik citeer hem nu letterlijk:
    “Wat hubbe veer toch goei kènjer op de waereld, gezat… Joa, aug de aangetrouwde zeen goei kènjer.. ”

    Ik weet niet of we het er ooit samen over hebben gehad, maar dat waren, achteraf gezien, zijn laatste volle zinnen in zijn leven.

    Nu merk je, dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan en je, na de ‘champetterperiode’, ineens in de creatieve fase uitkomt.

    Je hebt nog tijd zat, om je daarin te ontplooien en wens je alle succes hierbij.

    Groetjes, diene broor Frans..

    Reply
  2. Hoi Frans,

    Hartelijk dank voor deze mooie reactie.
    Nee, dat heb ik nooit geweten. Ons contact in die laatste jaren met pap en mam was niet meer zo intensief. Alles wat zich daarvoor had afgespeeld is min of meer uitgesproken en er is nooit meer iets blijven ‘liggen’. In die zin is er bij mij de rust ontstaan die er moest zijn. Wie weet heeft dat ermee te maken dat ik een paar jaar later begon te schrijven.
    Overigens zou ik het boek nooit hebben geschreven tijdens het leven van pap en mam.

    Groetjes,
    van dien jonger breurke 🙂

    Reply
  3. Het laatste half jaar van het leven van pap, Jacqyes, kwam ik bijna dagelijks over de vloer en regelmatig zelfs midden in de nacht, als hij in paniek belde, dat hij geen lucht meer kreeg.

    Ik weet niet meer of en met wie ik er in ons gezin over gesproken heb, maar kan me voorstellen, dat in zo’n gevoelige periode, niet iedereen de gesproken woorden heeft laten doordringen.
    Zoals je weet, lag zijn hoofd in mijn handen toen hij de laatste adem uitblies en er geen inademing meer kwam..
    Het zij zo..

    Groetjes, van diene geliekwaardige broor.. lol.

    Reply
  4. Frans,

    Dat jij die laatste maanden vrijwel de enige was die bijna dagelijks bij hem was, is mij wel bekend. Ook dat jij vaker ‘s nachts naar hem toe bent gegaan omdat hij vanwege ademtekort in paniek raakte.
    Het moet voor jou een triest en tegelijkertijd mooi laatste moment in zijn leven zijn geweest. Ik kreeg op het werk een telefoontje dat pap op sterven lag, maar ik heb het niet meer gered om tijdig aanwezig te zijn.
    Het deed me wel goed te weten dat hij niet in de eenzaamheid van het alleen-zijn in die laatste momenten is overleden.

    Vind het wel bijzonder dat wij daar hier, n.a.v. mijn sollicitatie bij de politie, op terugkomen.

    Warme groet,
    Jacques

    Reply

Laat een bericht achter.