Arrestanten en frites bakken

Wat hebben arrestanten met frites bakken te maken, hoor ik je denken. In mijn politieleven veel. Het kwam in de jaren zeventig wel eens voor dat er ’s nachts patat en frikadellen gebakken werden, als daar tijd en ruimte voor was tenminste en er niet werd gekaart. In mijn boek De Blauwe Diender heb ik over dit fenomeen het volgende hoofdstuk geschreven. Dronkenmanscel voormalig politiebureau Vrijthof Maastricht

Nadat de eerste uren van de nachtdienst waren verstreken, de vechtersbazen uitgeknokt waren en de dronkaards opgesloten zaten in de cel, gebeurde het wel eens dat een collega thuis de friteuse ophaalde en dat er een flinke portie frites werd gebakken. Dat ging er tijdens de stille uurtjes wel in.

Arrestanten zaten afgezonderd in een cellenblok, dat zich achter de agentenwacht bevond. Een van ons was aangewezen als verzorger en op gezette tijden werd een controle uitgevoerd. Meestal verliep dat routinematig en als het opgesloten volk iets wilde, konden ze op een bel drukken en dan werd er extra gelopen. Het toilet werd door ons middels een knop aan de buitenkant van de cel bediend. Dat was om te voorkomen dat de gasten de zaak onder water lieten lopen. Van de dronkenlappen had je de minste last, die werden in een aparte dronkenmanscel gelegd – zitten konden ze niet meer – en daar sliepen zij hun roes uit.

In die jaren kwam het vooral in de weekends voor, dat in het centrum van Maastricht, dat ruim vierhonderd cafés telde, een ruzie uitliep op een knokpartij. Het ging vaak om een stuk of tien vechtersbazen, meestal bouwvakkers. Zij laafden zich in het weekend uitbundig aan het gerstenat om dan, zonder dat er een aanwijsbare aanleiding of reden was, op de vuist te gaan met andere cafébezoekers. De kastelein belde de politie en wij vlogen er met z’n allen op af. Als er dan nog gevochten werd deden wij een stevige duit in de zak. De gummiknuppel werd gretig gebruikt en daalde menig keer hardhandig neer op ruggen en armen. Er moest behoorlijk hard geslagen worden, want de verdovende werking van de alcohol zorgde ervoor, dat de klappen nauwelijks werden gevoeld. Desondanks lukte het ons altijd de rust te laten weerkeren en de knokkers belandden voor de zoveelste keer in een cel en sliepen er hun roes uit. Wij kenden ze van haver tot gort en zij ons ook.

De volgende ochtend werden zij verhoord en met een proces-verbaal naar huis gestuurd. “Tot de volgende keer” waren meestal de afscheidswoorden; zij hielden zich aan hun woord. Er was geen sprake van haat of wrok jegens elkander, wij begrepen wel hoe zij opnieuw verzeild raakten in die knokpartijen en zij begrepen dat wij ons werk deden. Als er dan eens ’s nachts gebakken werd en er zaten een paar van die gasten in de cel, dan kregen zij van ons ook een bord frites. Dat was heel gewoon. Zij werden wakker van de geur, die zich ras via de kieren en gaten van het middeleeuwse gebouw aan het Vrijthof tot in het cellencomplex verspreidde.
Ons gebaar werd zeer gewaardeerd.

Soms werden zij wel eens getrakteerd op een ander gebaar, bijvoorbeeld wanneer zij zich erg luidruchtig en obstinaat gedroegen. Zij waren door de knokpartij zo opgefokt, dat zij de slaap niet konden vatten en dan begonnen ze ons te treiteren door telkens op de bel te drukken, waardoor wij niet tot rust kwamen. Eén anekdote wil ik je niet onthouden. Het speelde zich af rond carnaval.

Wij waren met de nachtploeg lange tijd in de weer geweest en er waren een paar zatlappen, die erg lastig bleven. Schreeuwen, slaan op de deuren en constant op de bel drukken, daar hielden zij zich mee bezig.
Enkele carnavalsvierders – het zouden studenten kunnen zijn geweest, de daders zijn echter nooit achterhaald – hadden bij wijze van grap de avond ervoor een geit met rode menie overgoten. Het arme beest werd vastgebonden aan de gevel van het politiebureau. Zoals het politiemensen betaamt, verleenden wij in overeenstemming met de Politiewet hulp aan hen die deze behoeven, in dit geval een geit. Zij werd naar binnen gehaald en in afwachting van overdracht aan de dierenambulance, in een dronkenmanscel opgesloten. Je kunt je voorstellen dat die cel er roodgekleurd uitzag toen het dier was opgehaald. Het leek alsof er zich een bloederig tafereel had afgespeeld. Dat bracht ons op het idee om de laveloze schreeuwers stil te krijgen. Er werd een plan gesmeed en dat verliep als volgt.

Een van de collega’s speelde een dronken arrestant die zich verzette bij het opsluiten in een cel. Hij moest voorbij de herrieschoppers worden gevoerd. Wij kwamen aldus met een hoop geschreeuw en gescheld met die zogenaamde zatlap het cellencomplex binnen. De man werd in de met menie besmeurde cel geduwd. Op dat moment riep iemand van ons luidkeels:
‘Kijk uit, hij heeft een mes in zijn handen.’ Een paar vloeken en plotseling klonk een enorme knal door het complex. Een andere deelnemer aan het complot stak een rotje af, dat hij ooit van de een of andere schavuit had afgenomen. Doodse stilte volgde, enkele seconden later doorbroken met luidruchtig gescheld van onze kant. Ook ijzige stilte in het cellencomplex, iemand van ons zei op zakelijke toon:
‘Hij beweegt niet meer, je hebt hem volgens mij doodgeschoten, er moet een dokter komen, leg hem maar eventjes in een van de lege cellen.’
De dode collega liet zich gewillig in een andere cel slepen en toen wij uit het zicht waren van de celbewoners trokken wij ons terug in de agentenwacht, af en toe probeerden we iets van hun gesprekken op te vangen.

‘Verdomme, heb je dat gehoord, ze hebben iemand doodgeschoten en die ligt hiernaast in een cel.’
Over en weer werd er iets gezegd of geroepen.
‘Die zijn gek geworden, heb je dat gehoord? Hou je maar rustig, je wordt hier gewoon doodgeschoten.’

Dat ging nog een tijdje zo door, er werd zenuwachtig gelachen, men wist natuurlijk niet zeker of er iemand was doodgeschoten, maar het bellen en op deuren bonken was afgelopen. Even later gingen wij weer terug het cellencomplex binnen, nu vergezeld van een collega, die zich in een lange witte jas had gehuld.
‘Tja dokter, hij trok opeens een mes toen hij zich verzette tegen de opsluiting, wij konden niet anders dan hem neerschieten. Er was maar een schot nodig en volgens mij is de man dood. Hij ligt hier in een cel.’

De dokter ging de bewuste cel binnen, voelde de pols en sprak vervolgens op ernstige toon:
‘Die is inderdaad morsdood, niets meer aan te doen. Laat hem hier maar liggen tot strakjes als het weer dag is, het is nu al vier uur geweest, die paar uur maakt niets meer uit. Hij wordt dan weggehaald, zorgen jullie er maar voor dat iedereen gewaarschuwd wordt.’
De dokter verdween en wij gingen verder met ons complot.

‘We moeten er voor zorgen dat het bloed wordt weggeruimd, het ziet niet uit hier op de vloer, bovendien is het gevaarlijk, je zou erover kunnen uitglijden.’
Wij rolden de brandslang af en begonnen de bewuste cel schoon te spuiten. Het roodgekleurde water liep via een goot naar de andere kant van het complex in een putje. Die geul liep voor de cellen langs en de arrestanten konden door een open kijkgat in de deur naar buiten kijken. Zodoende konden zij het stromende rode water nog net zien. Zij begonnen vragen aan ons te stellen over hoe het kon gebeuren. We zeiden dat dit nu eenmaal het risico van het vak was, had de man maar geen mes moeten trekken. Daarin gaven ze ons gelijk.
Toen het rode water was verdwenen, verlieten wij het complex. Tegen de herrieschoppers zeiden we dat ze nu maar moesten gaan slapen. Wij hebben die nacht niets meer gehoord.
Later die dag namen wij een verklaring op van de mannen en dan vertelden wij dat het een grap was. Zij lachten er hartelijk om. Zij begrepen wel dat het ons niet lukte om hen op een normale manier tot rust te krijgen.

Dit verhaal wordt tot op de dag van vandaag door politiemensen in Maastricht nog verteld. Sterke verhalen lijken het, maar wel waar gebeurd. Gelukkig maar dat er veel veranderd is, want als dit vandaag de dag zou plaatsvinden weet ik niet wat dit voor gevolgen zou hebben. In die nacht werden er in elk geval geen frites gebakken en ook geen frikadellen.

In 1977 verhuisden wij van het oude Generaalshuis, het huidige Theater aan het Vrijthof,  naar een nieuw, modern politiebureau aan de Prins Bisschopsingel. Het duurde een tijdje voordat er voor de eerste keer frites werden gebakken. Wij moesten eerst wennen aan de nieuwe entourage, maar uiteindelijk werd de ban gebroken. Het bleef niet bij frites. Na verloop van tijd was het heel gewoon dat iemand uit de ploeg in een van de nachtdiensten voor eten zorgde. Gemiddeld werd er een keer per maand ’s nachts een lekkere maaltijd opgediend. Dat varieerde van frites met snacks tot zelf ingelegde haringen, goulash met rijst, pannenkoeken met erwtensoep, nasi goreng of shoarma. Het kwam ook wel voor dat het eten onaangeroerd op tafel achterbleef omdat er meldingen waren waar wij dan direct op afgingen. Werk ging voor het meisje en zelfs voor het eten. De dienstdoende gerechtelijke arts die regelmatig opgeroepen werd voor een bloedafname van een dronken automobilist bleef – soms samen met zijn vrouw – mee eten.
Zo ging dat in die tijd. De arrestanten konden echter niet meer samen met ons genieten van een bord frites. Zij zaten een eind verderop, afzonderlijk in speciaal daarvoor ingerichte gebouwen met camerabeveiliging. Zij kregen het eten voorgezet door hun bewakers, op gezette tijden maar zeker niet ’s nachts.

De oude vorm van gezelligheid bestaat al een tijd niet meer. De bewakers van nu hebben van de cultuur van het frites bakken niets meegekregen tijdens hun opleiding. Het stond zeker niet in de studieboeken en wij hebben hen niet hoeven op te leiden. Capriolen zoals wij die uithaalden, vinden niet meer plaats. De politie werkt ’s nachts niet meer in ploegen, zij worden in koppels de straat op gestuurd, de ene nacht met de ene collega, de andere nacht met de andere. Ze worden aangestuurd door een centrale meldkamer. Collega’s kennen elkaar nauwelijks nog. De meeste bureaus zijn ’s nachts gesloten.

Tijden veranderen, alhoewel, het zijn niet de tijden die veranderen, wij zeggen dit bij wijze van spreken. Mensen en omstandigheden veranderen, dat is juister. Is maar goed ook, stel je voor dat wij nog altijd ‘s nachts frites bakten en de arrestanten mee lieten delen. Wat zou er nog van het werk op straat terechtkomen?

3 Comments

Laat een bericht achter.