De diender en de dood

Dit is een verhaal waarmee ik vorig jaar deelnam aan een schrijfwedstrijd. Ik kreeg er veel positieve reacties op maar het viel niet in de prijzen. Zo gaat dat met ingezonden verhalen. Maar, geen nood, gelukkig is er nog deze blogsite. Ruit_Geel_Vlam_1
Het is geen vrolijk verhaal, maar dat is het leven van een politieman ook niet altijd. Hier gaat het om de rauwe werkelijkheid van de dood, over de vrijwel dagelijkse confrontatie met menselijk leed. Over wat het met mij deed. Je moet er wel even voor gaan zitten.

1 oktober 1970.

De bladeren aan de bomen vertonen de eerste tekenen van verval. Het is herfst. De frisse wind blaast langs mijn gezicht. Ik ben in mijn nopjes. Zo trots als een pauw tuf ik op mijn bromfiets, die het geluid van een elektrische koffiemolen benadert, naar Maastricht. De oude Romeinse stad met haar Bourgondische uitstraling, de vermaarde citadel waar bisschop Sint Servaas ooit furore maakte. Waar in 1635 een godsdienststrijd woedde. De criminaliteit vierde er hoogtij, een Spaanse moordenaar sloop, verkleed als monnik, door de smalle straatjes van de vestingstad, sloeg snel toe en verdween in de duisternis van de nacht. Gezagsdienaren uit die tijd vergrepen zich niet snel aan een monnikenpij. Anno 1970 is de criminaliteit in Maastricht niet verdwenen, het aantal moordenaars is sterk verminderd. Zo ook het aantal monnikspijen.
In deze stad zal ik veertig jaar lang de wet en orde gaan handhaven. Volgens het boekje, althans dat is wel de bedoeling.

Amper negentien jaar oud, gekleed in tuniek, ballonbroek en rijlaarzen met op mijn hoofd een pet, voorzien van het zilverkleurige Korps embleem, betreed ik het historische Generaalshuis aan het Vrijthof te Maastricht. Het gebouw maakt op mij een imposante indruk. Hier ga ik als politieman mijn sporen verdienen. Als govie, want zo worden de dienders door het Maastrichtse volk genoemd. De eerste zwarte bladzijde in mijn nog prille politieleven wordt al na een paar maanden geschreven.

Op een vroege ochtend glipt een man stilletjes uit zijn warme bed, dat hij al heel wat jaren met zijn vrouw deelt. Zijn hart klopt rustig, zijn gedachten dwalen af naar de diepste krochten in zijn bestaan. Het staat vast, er is geen weg meer terug. Eerder op de avond schreef hij bij het zwakke licht van een bureaulamp de brief. Het flauwe licht kwam overeen met zijn gesteldheid van de laatste tijd. De zwaarmoedigheid had hem volledig gebroken.
Rond zes uur loopt hij zachtjes de trap af, gaat naar het schuurtje achter het huis, neemt het geprepareerde touw in zijn knoestige handen en loopt terug naar binnen. In de keuken stapt hij vastberaden op de kruk, maakt het touw vast aan de verwarmingsbuis en legt rustig de lus om zijn nek. De blik in zijn ogen is al dood als hij in één beweging de kruk en zijn leven weg stoot.

De wachtcommandant van dienst klinkt autoritair: “Er is een melding binnengekomen dat zich vermoedelijk iemand opgehangen heeft.
“Lei en Jacques, een klus voor jullie.”

Voor mij is dit de eerste confrontatie met een wanhoopsdaad. Wat staat me te wachten? Tijdens het eindexamen had ik in het vak praktisch politieoptreden een zelfmoord door ophanging voor mijn kiezen gekregen. Ik kreeg er een acht voor. Geen probleem, zou je denken. Het pakt totaal anders uit.
Onderweg naar de plek des onheils zie ik de man al in gedachten hangen en ik probeer de opkomende misselijkheid te onderdrukken. Mijn mentor, die achter het stuur zat, zegt ook al geen stom woord.

De vrouw kijkt ons aan met angstige, om hulp smekende ogen.
“Het is in de keuken, denk ik, ik ben bang dat mijn man zich heeft opgehangen. Ik werd wakker van gestommel beneden, alsof een stoel omviel en toen zag ik dat hij niet in bed lag”.
Hevig snikkend vervolgt de vrouw:
“Ik heb niets meer gehoord, heb nog op Jan geroepen maar ik kreeg geen antwoord. Ik maak me vreselijke zorgen. Hij heeft het eerder al eens geprobeerd.”

De vrouw trekt mij met een angstige blik in haar ogen de gang in. Een klein ogenblik voel ik weerstand, maar ga toch naar binnen. Kom op Jacques, je bent politieman, stel je niet aan, schiet er door mijn hoofd.
“De kinderen zijn boven, ik heb ze wakker gemaakt. We durven niet te gaan kijken”, stamelt de vrouw en veegt met een zakdoek door haar betraande ogen.
Ik slik een paar keer en weet niet wat ik moet zeggen. Ik ben zélf bang,
Mijn rug voelt nat en koud van het klamme zweet. Wat zal ik aantreffen? Kan ik dit wel aan? Mijn hoofd doet pijn van de vragen die ik mezelf stel. Maar ik mag niet bang zijn. Ik toch niet, de diender, die er voor deze vrouw en kinderen moet zijn. Vooral niet bang zijn. Ik spreek mezelf moed in en weet mij te vermannen. Met een zeker bravoure zeg ik tegen de vrouw en mijn mentor:
“Ik ga wel even kijken.”

Zonder een antwoord af te wachten steven ik met grote passen door de gang en de woonkamer, richting keuken. Het is daarbinnen pikdonker. Ik zie niet goed waar ik loop. Min of meer op de tast kom ik bij de keuken uit. Mijn ogen zijn intussen al een beetje gewend aan het donker. Plotseling weigert mijn lichaam verder te lopen. Als versteend blijf ik staan als ik het vage silhouet van iemand in de deuropening zie hangen. Mijn blik gaat tergend langzaam omhoog en boven het hoofd zie ik het touw. Ik kan een kreet nauwelijks onderdrukken.

“Positief Lei”, roep ik impulsief naar mijn mentor. Mijn lichaam trilt als ik op zoek ga naar de lichtschakelaar. Op het moment dat het licht aanspringt, kijk ik recht in het aangezicht van de bijna naakte man, bengelend aan het touw. Hij draagt slechts een onderbroek en grijze geitenwollen sokken. Zijn opgezwollen, paarse tong steekt een stuk uit zijn mond, zijn ogen zijn gesloten. Ik vind het doodeng.
Het is niet alleen de aanblik van die dode man, hangend aan dat touw.
De taferelen even later met de weduwe en de kinderen gaan door merg en been. Het is hartverscheurend om ze op het echtelijk bed te zien zitten. Dicht tegen elkaar gekropen, huilend en schreeuwend om het verlies van echtgenoot en vader. Ik ga er even naast zitten, voel een brok in mijn keel. Ik leg een arm om de schouders van de vrouw en probeer haar een beetje te troosten. Wat moet ik anders? Ik kan moeilijk zeggen hoe wij de man zo meteen naar beneden halen. Dat de technische recherche zal komen om de zaak te onderzoeken en dat een gemeentelijk lijkschouwer de dood moet komen vaststellen? Dat laat ik liever over aan mijn mentor.

Lei ziet blijkbaar dat ik het moeilijk heb. Maar het werk moet wel gedaan worden. We kunnen het lijk niet laten hangen. Lei vertelt op een rustige manier wie er allemaal zal komen en wat er gedaan moet worden. Zijn manier van praten stelt mij ook enigszins met rust. We laten de vrouw en kinderen met hun eigen verdriet alleen achter op de slaapkamer en gaan naar beneden. In stilte bekijken we de situatie en maken enkele notities. Dat moet van de technische recherche om te voorkomen dat er twijfels ontstaan over de zelfmoord.
Lei zal het touw doorsnijden en ik zal de man opvangen om hem rustig op de vloer te laten neerkomen. Terwijl ik het lijk om zijn middel vastpak, begint Lei met zijn Zwitsers zakmes het touw door te snijden.
“Miljaar, dat gaat niet gemakkelijk”, zegt hij na een minuut of zo te hebben gesneden.
“Ik moet uitkijken dat ik niet in zijn hals snij.”

Mijn God, wat een verschrikking! Het duurt in mijn beleving een eeuwigheid. Ik word bijna onpasselijk, maar klem het lijk stevig tussen mijn armen, probeer het een beetje omhoog te duwen. Maar zo’n lijk is onvoorstelbaar zwaar. Op medewerking hoef ik niet te rekenen.
Ik zet me schrap om mij voor te bereiden op het moment dat het touw knapt. Zweetdruppels parelen op mijn voorhoofd en de rillingen lopen over mijn rug. Plotseling knapt het touw. Het lijk valt als een zak aardappelen naar beneden. Er is geen houden meer aan. Terwijl de dode man door mijn grijpende armen valt, ontsnapt lucht uit zijn mond, die zich direct na de ophanging in de longen moet hebben verzameld. Een vreselijke rochel klinkt uit de keel van de dode man. Ik val samen met het lijk op de vloer. Naar adem happend worstel ik mij onder de man vandaan en kom langzaam overeind. Verdwaasd kijk ik naar het lichaam dat voor mij uitgestrekt op de vloer ligt.

“Gaat het?” vraagt Lei zachtjes..
“Ja, ja….ehhhh…het gaat wel”, komt er uit mijn schorre keel.
Het gaat helemaal niet, Ik sta op het punt om weg te rennen van deze horrorplek. Een paar tellen later kom ik weer tot mezelf en dringt het besef door dat ik mijn werk moet doen. De emoties gaan resoluut aan de kant. Het komt er nu op aan te laten zien dat ik mijn werk als professional aankan. We gaan als routiniers aan de slag.

Deze lijkvinding, zoals dat in politiejargon genoemd wordt, bezorgt mij een tijdje nachtmerries. In mijn dromen staat de dode plotseling voor mij en steekt zijn dikke paarse opgezwollen tong naar me uit. Het touw met de knoop bungelt om zijn nek. Ik probeer weg te rennen, maar kom geen meter vooruit. Het lijkt alsof de dode mij om mijn middel vastgrijpt, terwijl hij zijn stinkende adem in mijn nek blaast. Ik word wakker, badend in het zweet.
Na een paar weken verdwijnen de nachtmerries als dieven in de nacht. Mijn geest wordt opeens niet meer gemarteld met het beeld van de bungelende man. Ook niet meer met de vraag of ik nog bij de politie wil blijven. Dat was wel bij me opgekomen, maar ik durfde er niet aan toe te geven, bang als ik was om voor slappeling uitgemaakt te worden. De rust in mijn hoofd keert weer. Het lijkt of de knoop van het wurgtouw opnieuw wordt doorgesneden, maar nu is het m’n eigen knoop.

Er volgen gouden tijden. De dagen vullen zich niet alleen met mijn privé leven, het lief en leed van gezinnen uit volksbuurten sijpelen erin door. Wildwesttaferelen bij het achtervolgen van autodieven en overvallers, gericht op mij afgevuurde kogels, knokkende partijen die ik, samen met collega’s, uit elkaar haal. Mensen die ik aanhoud, het is mijn dagelijks werk. Ik word geconfronteerd met uitzonderlijke incidenten, zoals de eenzame geboorte van een kind in een portiek langs de straat, waarna de verwarde moeder met het kind in de broekspijp aan de wandel gaat. Ik houd toezicht op horecabedrijven, kom oog in oog te staan met mensen, die kennelijk geïnspireerd werden door de literatuur van Markies de Sade. De aangetroffen attributen in de sekshuizen zijn zonder enige twijfel bestemd om bezoekers te laten genieten van een seksuele afstraffing.

Ik heb plezier in het werk. Ondanks de vele lijken die op mijn pad komen. Het hoort er gewoon bij. Soms vreselijk verminkt door geweld of een ongeluk. Ik zie waterlijken, totaal verbrande lichamen, kinderen en oude mensen, ik krijg te maken met allerlei vormen van zelfdoding. Wennen doet het nooit, maar ik ga er professioneel mee om. Wanneer ik als rechercheur
‘s nachts uit bed wordt gebeld om voor de zoveelste keer bij een lijk terecht te komen, kruip ik een aantal uren later weer gewoon naast mijn vrouw in bed, en ga slapen.

Die mooie tijd duurt ongeveer drie decennia. Tegen het einde van de vorige eeuw vind er opeens een kentering plaats in het leven en welzijn van deze diender. Opeens ben ik aan het eind van mijn Latijn. De talloze confrontaties met dood, criminaliteit, agressie en geweld hebben mij dieper geraakt dan ik dacht. De overpeinzingen gaan hand in hand met het verlies van het plezier in mijn werk. Dat manifesteert zich ook in mijn lichaam.
De dikke darm gaat in de contramine. Ernstige ontstekingen zijn het gevolg. Door verdieping van de zin van mijn ziek-zijn leer ik dat dit orgaan overeenkomt met het onbewuste, in de letterlijke betekenis van de onderwereld. Het is een dodenrijk, want daar bevinden zich de stoffen, die niet in leven kunnen worden omgezet. Ik kom tot de conclusie dat ik mij lang genoeg in het dodenrijk heb opgehouden.
De emoties bij de talloze confrontaties met de dood wist ik blijkbaar op een subtiele manier te verdringen. Ik verloor bloed en slijm – de oersymbolen van het leven – omdat ik bang was mijn eigen leven en persoonlijkheid te verwezenlijken. Hevige emoties zoeken zich een uitweg in mijn lijf. Ik blijk meer politieman te zijn geworden dan gezond voor me is.

Ik ben vreselijk bang vroegtijdig aan mijn einde te komen. Kanker en dood zijn dichterbij dan wenselijk. Het is me duidelijk geworden dat ik daden moet stellen om de pensioengerechtigde leeftijd op een gezonde manier te halen. Ik doe afstand van het recherchewerk en zoek mijn heil in een bureaufunctie, ver weg van dood en ellende. Door die ontwikkelingen kan ik blijven werken, weliswaar met enige beperkingen.
Ik begin te schrijven over het politieberoep en betrek er mijn ontwikkelde filosofie en psychologie bij. Mijn kwetsbare kant stop ik niet meer weg achter het uniform of een façade. Als verlichte rechercheur ga ik steeds menselijker om met verdachten. De macho in mij heeft z’n langste tijd gehad. Ik ontdek onbewuste motieven die mij in 1969 ertoe aanzetten om te kiezen voor het politieberoep. De negatieve opvatting over gezag en autoriteit van mijn vader destijds en diens onverschilligheid over mijn keuze moedigden mij onbewust aan om politieman te worden. Ik besefte toen niet dat ik mijn vader op die manier confronteerde met zijn eigen onmacht.

Als wetsdienaar verhef ik het politieberoep tot veel meer dan het uitschrijven van bonnen en het vangen van boeven. Door mij te verdiepen in psychologische betekenissen van symptomen en gedrag, plaats ik het ambt van politieman in een andere dimensie. Ik ervaar de impact die gebeurtenissen op mij en op de samenleving hebben. Ik weet me te bevrijden uit de benauwende beperking van de groep waartoe ik behoor.

Ik schreef meer zwarte bladzijden in de gouden tijden dan mij lief waren. Nu heb ik ze omgeslagen en kan ik uitkijken naar een leven met nieuwe uitdagingen. De gepensioneerde diender gaat voortaan door het leven als de blauwe diender. Ik schrijf en spreek over het zeer complexe en kwetsbare beroep en voel me bevrijd van de beklemmingen die ik drie decennia lang niet bewust voelde, maar die mij wel in een wurggreep hielden.

De diender heeft de vrijheid ontdekt en neemt de gouden tijden en zwarte bladzijden mee op zijn vlucht naar de toekomst. Zonder te weten waar die mij brengen zal.

 

5 Comments

Laat een bericht achter.