Het Kosthuis

Na de opleiding trad ik op 1 oktober 1970 officieel in dienst van het korps gemeentepolitie Maastricht. In die tijd was het gewenst dat jonge politiemensen in hun standplaats een kosthuis zochten, zeker als ze meer dan twintig kilometer moesten reizen om van de thuishaven naar de plaats van tewerkstelling te komen. Ik viel nog net binnen die grens, verhuizing was derhalve niet vereist. De eerste paar jaar bleef ik thuis wonen, ik had toen al verkering, maar wij hadden nauwelijks iets bij elkaar gespaard om te gaan trouwen. Ik gaf nog steeds een groot gedeelte van mijn inkomen af ten bate van het gezin. De situatie thuis was echter van dien aard dat ik er toch niet aan ontkwam om op zoek te gaan naar een kosthuis. Mijn drang naar zelfstandigheid werd heviger, een sterk gevoel stak de kop op om op zoek te gaan naar een eigen plekje waar ik in alle rust zou kunnen gaan wonen.

Op een dag liep ik, na de zoveelste woordenwisseling, huilend en blind van woede het huis uit. Onmacht had zich van mij meester gemaakt, ik wist niet waar ik naartoe zou gaan, maar ik wilde thuis weg. Mijn benen brachten mij als vanzelf naar een adres in Geleen, waar op dat moment een van mijn oudere broers in de kost was. Het was mij ter ore gekomen dat hij binnenkort zou gaan trouwen en dus op zichzelf zou gaan wonen. Misschien zou ik daar wel terecht kunnen?
Onrustig als ik was, belde ik aan. Een vriendelijk ogende oudere vrouw keek mij vanuit de geopende deur aan. Ik stelde mij voor en vertelde wat mij bij haar had gebracht, om vervolgens met trillende stem te vragen of ik bij haar kon komen wonen. Ik zag in haar ogen een uiting van medelijden, zonder iets te zeggen liet ze mij binnen komen en vroeg verder naar de omstandigheden. Bijna huilend vertelde ik haar wat er was gebeurd. Vol ongeloof hoorde ik haar zachtjes zeggen dat ze mij wel zou opnemen in haar huis, maar dan moest ik wachten totdat mijn broer weg was. Dat was geen probleem voor mij, ik was zó intens blij dat ik daar terecht kon, weg uit die vervelende thuissituatie. Ik was intussen eenentwintig jaar oud geworden, een leeftijd waarop ik wettelijk gezien meerderjarig was en geacht werd zelfstandig beslissingen te kunnen nemen. De verhouding met mijn ouders veranderde daardoor drastisch. Zij konden niet meer voor mij beslissen, dat moest ik voortaan zelf doen.

Direct na deze onverwachte liefdevolle daad van een voor mij wildvreemde vrouw, liep ik terug naar huis en daar vertelde ik onomwonden dat ik binnenkort in de kost zou gaan. Ik ging vertrekken en ik zou op dit besluit niet meer terugkomen. Opnieuw geruzie en gehuil, maar ik hield stand. Een paar maanden later trok ik bij die weduwvrouw in. Ongelooflijk en absurd eigenlijk, in de eigen woonplaats in de kost bij iemand anders. Ik was echter zo blij als een klein kind. Later vernam ik van mijn broer, dat hij aan die vrouw had gevraagd om mij op te nemen omdat hij blijkbaar begreep hoe moeilijk ik het thuis had.

Mijn verblijf bij die kostvrouw was van tijdelijke aard, zij zou binnen afzienbare tijd gaan verhuizen. In de tijd dat ik er woonde ging ik op zoek naar een adres in Maastricht. Via collega’s die daar al in de kost waren, kwam ik na ongeveer een half jaar terecht bij een andere weduwvrouw. Haar huis was lekker dicht bij het werk. Helaas bleek deze vrouw nogal ziekelijk te zijn en toen ik er een paar weken woonde, kreeg zij van haar arts het advies zo’n zware taak niet op zich te nemen. Terug naar het eerste adres kon niet meer omdat die weduwvrouw intussen was verhuisd naar midden Limburg. Dan maar tijdelijk een heenkomen zoeken binnen de familie van mijn vrouw. Ik kreeg onderdak bij haar gehuwde zus en na een dankbaar verblijf van enkele maanden, kon ik terecht bij de familie Nelissen in Heer bij Maastricht. Een van mijn collega’s was daar in de kost, hij vertrok over een paar maanden omdat hij ging trouwen.

De eerste kennismaking met de familie Nelissen was heel bijzonder. Wat ik daar aantrof heeft mij diep geraakt. Zij wilden bij voornaam genoemd worden, Bertha en Jef, niet anders. Ik werd bijna als de gelijke van hun eigen zoon Wiel opgenomen in dat huis, tenminste zo voelde het voor mij. Zij werden voor mij nieuwe ouders. Bertha en Jef waren erg politiegezind, mijn voorganger was er enkele jaren in de kost geweest en ik wist van hem hoe goed toeven het daar was. Het gezin had jaren ervaring met de opvang van weeskinderen, meestal ook nog moeilijk opvoedbare jongens. Voor Bertha en Jef waren het hún jongens, net zoals Wiel hun eigen zoon was. Alles bij elkaar hebben daar zo’n twintig jongens in huis gewoond.
Bij Bertha was het altijd een zoete inval zoals zij dat zelf noemde. Iedereen was er welkom en toen haar moeder Leneke niet meer op zichzelf kon wonen, was het heel normaal dat zij bij Bertha en Jef introk. Er was altijd plek. Oma bleef er tot aan haar vijfentachtigste en stierf daar in huis.

Wanneer ik ’s avonds na de middagdienst thuiskwam, vertelde ik over wat ik allemaal mee had gemaakt. Dat deed mij goed, ik kon bij hen eindelijk ook terecht met de ellende waar ik in mijn beroep bijna dagelijks mee werd geconfronteerd. Er was altijd een luisterend oor en meestal werd er een borrel bij gedronken, jonge klare1 van het merk Smeets (!) Er werd voor me gewassen en gekookt. Bertha keek altijd vergenoegd toe hoe ik met smaak alles opat, zelfs de restjes waren aan mij besteed. Zij kon heel lekker koken, dat was een feit.

Het eerste jaar waren er veel familiefeesten en zodoende leerde ik vrij snel hun hele familie kennen. Op een gegeven moment ging ik meer kostgeld geven, omdat ik vond dat die mensen meer verdienden. Zij gaven mij niet alleen kost en inwoning, maar ook de liefde en geborgenheid van een gezin. Dat gold ook voor mijn geliefde. Zij werd op handen gedragen en ik begreep maar niet waarom mijn eigen ouders niet zo waren. De situatie thuis was vaak onderwerp van gesprek, Bertha en Jef snapten niet hoe dit allemaal mogelijk was, maar zij veroordeelden mijn ouders niet.

Huize Nelissen werd een bekend koffieadres bij de politie Maastricht, vrijwel iedere collega waar ik dienst mee heb gedraaid is daar over de vloer gekomen. ´s Nachts keken wij er naar bokswedstrijden van Cassius Clay, nu beter bekend als Mohammed Ali. Bertha bleef wakker of stond op om koffie te zetten of zelfs erwtensoep op te warmen. Had je een scheur in je dienstbroek, geen nood. Bertha naaide die voor je, ook die van mijn collega’s. Als wij op de bank hadden gezeten, vroeg Bertha zich de volgende dag af waar die zwarte strepen op de vloerbedekking vandaan kwamen. Zij dacht dat de hond dit gedaan had. Onze rijlaarzen waren de ware boosdoeners.

Er moest niemand iets kwaads over haar jongens vertellen en als er iemand onrecht werd aangedaan, dan kwam zij voor hem op. Dat overkwam mij tijdens een van de autoloze zondagen in de jaren zeventig, een gevolg van de toenmalige oliecrisis2. Politieagenten moesten evengoed per fiets of met het openbaar vervoer naar het werk gaan.
In die tijd was er tegelijk met mij een jonge inspecteur in opleiding bij Bertha en Jef in de kost. Terwijl ik in de vrieskou naar de bushalte liep om met de stadsbus naar het politiebureau te gaan, stopte er even later een politieauto voor huize Nelissen om de jonge inspecteur op te halen. Bertha wond zich daar vreselijk over op en toen ik ’s avonds thuiskwam liet ze mij onomwonden weten hoe zij daarover dacht. De inspecteur, die even later thuis kwam, kreeg er van langs. Bertha zei tegen hem dat het geen stijl was dat een agent met de stadsbus naar het werk moest en dat een inspecteur werd opgehaald. Hij zei met een uitgestreken gezicht: “Onderscheid moet er zijn!” Je kunt je voorstellen hoe dat bij Bertha en mij aankwam. Zonder in details te treden kan ik vertellen dat er een hartig woordje met die inspecteur werd gesproken. De volgende dag was alles weer in orde, no hard feelings, maar vergeten werd het ook niet, zeker niet door Bertha.
Enige tijd later voerde Bertha een tegenactie uit. Een politiebus, gevuld met agenten stopte bij Bertha voor de deur om ons op te komen halen. Bertha had net boodschappen gedaan en in haar tas zat – zoals zo vaak – een heerlijke droogworst. Zo goed als zij was sneed zij die in schijven en liep daarmee naar de politiebus. Gretig werd er naar de lekkere worst gegrepen en in een oogwenk was hij verdwenen. “En ik dan?” vroeg de chauffeur. Het was dezelfde man die eerder de inspecteur was komen ophalen, terwijl ik met de stadsbus naar het werk moest gaan. Bertha keek hem met een glimlach aan en zei trefzeker: “Onderscheid moet er zijn!”

Met Jef maakte ik vaker een autorit door het veld, naar zijn geliefde geboortestreek. Daar maakte ik kennis met allerlei mensen uit zijn omgeving. Wij bezochten het jaarlijkse Hanenkraaien3 in het plaatselijke café. Toen ik met Mariet trouwde en wij vijf jaar later onze zoon Ronald kregen, was hij de jung.4 Hij werd eigenlijk hun kleinzoon en voor oma Leneke was Ronald als het ware een achterkleinkind. Zoveel echte liefde had ik thuis na mijn kindertijd niet meer gekregen. Het was wonderbaarlijk. Contacten tussen mijn ouders en Bertha en Jef waren er nauwelijks, ik probeerde dat ook bewust te voorkomen, want ik wilde niet dat zij negatief gevoed zouden worden door mijn echte vader en moeder. Bertha en Jef zouden dat niet kunnen verdragen. Bij hun werd niemand de deur gewezen. Wat daar niet allemaal over de vloer kwam, bij huize Smeets zou dat onmogelijk zijn geweest.

Als ik terugkijk op die tijd kan ik alleen maar vaststellen dat daar misschien wel de kiem werd gelegd die er voor zorgde dat ik mijn ouders later kon vergeven. Bij Bertha en Jef leerde ik onvoorwaardelijke liefde kennen. Zij hadden in hun gezin en familie ook zorgen, er vielen zeker woorden, overal was wel iets. ”Ieder huisje zijn kruisje” zei Bertha dan steevast en “waar niets is daar woont niemand, we moeten maar vertrouwen op Onze Lieve Heer.” Tot kort voor haar dood bezocht zij met haar brommobiel de Onze Lieve Vrouwe Basiliek in Maastricht, om daar een kaars aan te steken en te bidden, voor haar zelf, voor alle mensen die zij kende, ook voor ons. Zij heeft haar persoonlijke leven altijd in dienst gesteld van anderen, voor haar Jef, Wiel en Marianne, voor oma, voor andere familieleden, voor ons en voor veel andere jongens die bij haar in de kost zijn geweest. Meestal waren het politiemensen, maar douaniers waren ook welkom. Met rangen en standen had zij niets, voor haar was iedereen gelijk. Het liefst had zij jongens, slechts één keer heeft zij een meisje in de kost gehad en daarvan zei ze vaker dat ze dat nooit meer zou doen. Die ruimden hun spullen nooit op, zei ze dan.

In 1976 vertrok ik bij hen om te trouwen, natuurlijk was er voor een opvolger gezorgd. Voor Bertha was het haar levenstaak te zorgen voor anderen, ondanks de dagelijkse pijn in haar benen. Velen die daar in de kost zijn geweest, hielden nog steeds contact met haar. Heel opmerkelijk.
Oma Leneke stierf in 1987 en Jef in 1997. Bertha is op 1 december 2010 op de gezegende leeftijd van 84 jaar, na een kort ziekbed, overleden. Ze zijn allen in het huis, waar ik ruim drie jaar mocht wonen, gestorven. In alle gevallen schaarde de familie zich om de stervende heen. Mijn vrouw en ik hoorden bij de familie, dus wij waren er altijd bij. In de laatste maanden van haar leven sprak Bertha steeds vaker over die tijd van vroeger, over de jongens waar zij voor zorgde en die haar allemaal even lief waren.

Het gezin Nelissen verdient het om in deze kroniek te worden opgenomen, want hun huis was voor mij een vertrouwde stek waar ik kon bijkomen van de dagelijkse ellende in het politiewerk. Ik heb me er altijd gelukkig en op mijn gemak gevoeld, vanaf de eerste dag. Achteraf gezien kan ik zeggen dat het voor mij een soort toevluchtsoord is geweest waar ik met mijn opgedane emoties van thuis en daarna met die van het werk terecht kon. Daarvoor hoefden geen diepgaande gesprekken gevoerd te worden. Simpelweg vertellen over de gebeurtenissen was voldoende. Voor iemand die dagelijks te maken kreeg met geweld, list en bedrog, ellende en leed, was huize Nelissen een veilig nest waar je niets kon overkomen. Mijn dank is dan ook erg groot.

Voetnoten:
1 Jonge klare. Jonge jenever, alcoholische drank gebrouwen uit jeneverbessen.

2 Oliecrisis 1973. Een wereldwijd conflict tussen de olieproducerende landen en het westen. Dat leidde tot een kunstmatig gecreëerd tekort van aardolie. De Verenigde Staten en een aantal West Europese landen werden geboycot omdat zij Israël openlijk steunden bij de Jom Kipoeroorlog. Om olie te sparen werden autoloze zondagen ingevoerd en was de benzine op de bon.

3 Hanenkraaien. Wedstrijd waarin hanen binnen 15 minuten zo vaak en luid mogelijk moeten kraaien. Winnaar is uiteraard de haan die het vaakst kraait.

4 de jung. Dialect voor de jongen, het kind.

4 Comments

  1. Wat een prachtige hommage aan ons kosthuis heb je geschreven Jacques! Ook ik beschouwde Bertha en Jef als mijn tweede ouders, hoewel mijn vader en moeder – in tegenstelling tot de jouwe – vaker contact met hen hadden. Die van mij zaten gewoon ver weg en huize Nelissen stond dag en nacht voor ons klaar!
    Ik heb lang geprakkiseerd over die autoloze zondag en was er bijna van overtuigd dat ik toen ook nog in de kost zat, want dat verhaal van de ‘rooie Stijns’ ken ik natuurlijk. Maar feitelijk waren die ‘zondagen’ vanaf 4-11-73 tm 13-1-74 (leve Google), ik ben op 8-8-73 getrouwd en woonde dus niet meer op de St. Servatiusweg… Jij hebt mijn plek gewoon in die zomer van ’73 overgenomen en ik ben natuurlijk met mijn ploegmaten (Bert Peters, Johnny Roex, etc.) ook nog jaren daarna bij Bertha koffie blijven lurken!
    Echt een kostbare tijd bij twee dierbare mensen. Chapeau voor jouw verhaal Jacques!
    Groet Wim

    Reply
    • Hoi Wim,

      Dank voor deze mooie reactie en complimenten.
      Klopt, jouw ouders leerde ik ook via Bertha en Jef kennen. Ben ook een paar keer met hun naar jullie ouders in Helmond geweest. Was altijd erg gezellig.

      Jij was toen inderdaad al getrouwd Wim. Dat trouwen van jou was voor mij ook dé gelegenheid om jouw plaats in te nemen. Toen hun zoon Wiel trouwde met Marianne, werd ook die plaats direct opgevuld. Dat werd volgens mij douanier Jan Nijhof uit Almelo.

      Het koffieadres was een van dé vaste stekken waar veel collega’s over de vloer kwamen. Ik denk er nog heel vaak met veel plezier aan terug en als we Wiel en Marianne treffen of andere nog in leven zijnde familieleden, dan gaat het steevast over die tijd. Heel bijzonder.

      Reply
  2. Dit verhaal komt terug in mijn herinnering aan wat Hub hier vroeger steeds over vertelde. Blij dat ik dit weer even gelezen heb.

    Reply

Laat een bericht achter.