Voor de klas

In de docentenkamer heerst een gemoedelijke sfeer. De aanwezige docenten groeten mij vriendelijk maar hebben geen idee wie ik ben of wat ik hier doe. Ze zijn druk met elkaar in de weer over de zojuist afgelopen les of over die nog volgen. Aan een tafel praten twee mannen met een jonge vrouw. Ik begrijp dat er een toets wordt geëvalueerd die door de jonge vrouw was afgenomen. Ze hebben het over het politieberoep. Ik kan een glimlach niet onderdrukken en geniet van een kop koffie.

Een leerling zal mij komen afhalen en naar het klaslokaal geleiden. Wat leuk bedacht van Bill Banning, schiet het door mijn hoofd, hij laat mij afhalen door een leerling. Ik bevind mij in het d’Oultremontcollege te Drunen. Bill Banning is theoloog en docent Godsdienst-Levensbeschouwing en Klassieke Culturele Vorming.

Op verzoek van de redactie van het boek Gezagsdragers, de publieke zaak op zoek naar haar verdedigers, wisselden Bill en ik vorig jaar per e-mail van gedachten over het thema gezagsuitoefening, Wij kenden elkaar niet, wisten totaal niets van elkaar. De redactie was ons op het spoor gekomen middels boeken die wij beiden los van elkaar hadden geschreven en gepubliceerd. Men vond dat wij er blijkbaar in waren geslaagd om op een zeer persoonlijke manier over gedenkwaardige en pijnlijke ervaringen, respectievelijk als leraar en diender, te schrijven. Onze briefwisseling werd integraal opgenomen in het boek.

Tijdens de presentatie van het boek in Den Haag op 22 juni 2012, trof ik Bill voor het eerst.

Onmiddellijk was daar die klik tussen twee mensen met totaal uiteenlopende levens en beroepen, maar die blijkbaar ook een soortgelijke ontwikkeling hadden doorgemaakt. Wij spraken af dat ik een keer een les van hem zou komen bijwonen in zijn school. Nu is dat moment aangebroken en ik zal tijdens die les iets vertellen over mijn politieleven.

Twee meisjes van een jaar of twaalf halen mij op in de docentenkamer en voeren mij naar een klaslokaal waar Bill met een klas jonge kinderen, vermoedelijk brugklassers, op mij zit te wachten. Er is nog tien minuten tijd en Bill vertelt op een bevlogen manier wie ik ben en hoe wij elkaar leerden kennen. De kinderen zijn enthousiast en als Bill vertelt dat ik drieënveertig jaar politieman ben geweest, vallen ze van ongeloof bijna van de stoel. Een van de kinderen vraagt of ik ooit heb moeten schieten. Als ik met nee antwoord, gaat er gejuich op en wordt er geapplaudisseerd. Als eerste door Bill.
De zoemer gaat, einde van de les. Bill en ik gaan naar klas A5A, waar Bill een lesuur Godsdienst en Levensbeschouwing en Culturele Vorming zal geven. De leerlingen zitten al op ons te wachten.

Bill introduceert mij in een paar zinnen en vraagt aan mij om het roer over te nemen. Zonder hapering richt ik mij tot de leerlingen, een stuk of twintig paar ogen kijken me vragend aan. Ik weet niet wat Bill ze heeft verteld, maar het voelt als thuiskomen. Het is alsof ik gezuiverd word van alle terughoudendheid. In mijn politieleven keek ik met een autoritaire blik naar mensen, zeker de eerste drie decennia van mijn carrière. Toen was dát heel normaal. Nu zoek ik met een gevoel van menselijke gelijkheid oogcontact met de leerlingen en begin ik mijn verhaal. Ik vertel hoe ik opgroeide in het grote gezin en op zeventienjarige leeftijd solliciteerde bij de politie. Waarom ik dat deed en hoe negatief mijn vader erop reageerde en ik toch doorzette. Als ik de confrontatie met het eerste lijk, de zelfdoding door ophanging, beschrijf, gaat er een huivering door de klas. Zeker als ik mijn aanvankelijke nachtmerries beschrijf. Het wordt mij duidelijk dat wat voor mij bijna normaal is, voor deze jonge mensen indrukwekkende zaken zijn. Ze horen van mij een heel ander verhaal dan ze waarschijnlijk gewend zijn te horen over de politie.

Iemand vraagt hoe ik heb leren omgaan met al die ellende. Dat vind ik een bijzondere vraag. Misschien worstelt de een of de ander zélf al met een vreselijke ervaring. Maar ik voel dat ik eerlijk moet zijn. Als ik vertel dat ik in eerste instantie het gevoel had dat ik zélf dood zou gaan en wilde kappen met het beroep, zie ik verbijstering op de gezichten verschijnen. Opluchting komt er voor in de plaats als ik zeg dat dit gevoel en de nachtmerries na een paar weken opeens waren verdwenen en dat ik er nooit meer in die mate last van heb gehad. Precies op dát moment besef ik dat ik mijn eigen onbewuste gevoelens van toen op de groep reflecteer. Ik herbeleef de gebeurtenissen als het ware, maar het beangstigt mij niet meer.

Ik praat rustig verder over mijn ziekteperiode, hoe ik mede daardoor tot veranderende inzichten kwam die mij vervolgens bewust maakten van mijn menselijke en vooral kwetsbare kant. Hoe ik ertoe was gekomen om over het politieberoep te schrijven en wat de samenhang was tussen mijn beleving van het beroep en mijn ziekte en genezing. Door het durven tonen van mijn menselijke en kwetsbare kant verdwenen geweld en agressie jegens mij als gezagsdrager. Care en Cure geldt ook voor politiemensen.
Ik zie instemmend geknik vanuit de klas. De aandacht van deze jonge mensen én van Bill Banning geven mij een warm gevoel.

Deze verhalen moet ik dus vertellen en niets anders, denk ik, want zo is mijn politieleven verlopen en niet anders. Geen praatje pot houden over het rijden zonder achterlicht of overlast van jeugd. Geen fantasieverhalen over de good en de bad guy in een verhoorkamer. Hier komen de echte levensvragen aan bod, vragen waarmee deze jonge mensen nog meer dan genoeg te maken zullen krijgen in hun leven.

Ter afsluiting lees ik een klein stukje voor uit het boek Gedachtekracht van trainer/coach Marja Ruiterman uit Amsterdam. Verlichte zielen zitten overal, ook bij de politie, aldus de auteur. De verlichte rechercheur verhoort verdachten van roof, moord, mishandeling en verkrachting. Hij ziet de mens achter de crimineel en lijkt hem te begrijpen en tot in de ziel te raken. De verlichte rechercheur treedt volgens Marja de wereld met open vizier tegemoet. Zij vertelt mij later dat zij het hier over mij heeft.

Ik sluit het boekje en kijk met open vizier de klas in. Mijn verhaal eindigt met het gezegde: wat je geeft, krijg je terug. Dat geldt voor ieder mens, ook voor politiemensen. Een warm applaus is mijn beloning.

Dat ik zoiets nog eens zou meemaken. Het is wonderbaarlijk over het politiewerk en het beroep te praten, zonder mij te moeten verdedigen voor wat de politie verkeerd doet. Ik word geroerd door een leerling die na afloop bij me komt en zegt dat haar vader een leidinggevende functie heeft en geïnteresseerd zal zijn in de zaken waarover ik heb verteld. Ik geef haar met liefde een flyer mee.

Eventjes denk ik terug aan 1969. Toen kwam een politieman in de vierde klas MULO in het kader van werving ook een verhaal vertellen over het politieberoep. Hij repte geen woord over menselijkheid en kwetsbaarheid en al helemaal niet over care en cure. Hij was op zoek naar jonge, loyale en gezagsgetrouwe mensen. Ik kon mijn vader toen niets aanreiken waardoor hij wellicht inzicht had kunnen krijgen in zijn afkeer tegen gezag en autoriteit. Misschien heb ik om die reden onbewust voor de politie gekozen. Wie weet?

Klas A5A en Bill Banning: Hartelijk dank voor jullie warme aandacht. Jullie hebben mij een onvergetelijke dag bezorgd.

 

Laat een bericht achter.