Over het weer gesproken

‘Wat ’n weertje hé?’

16la_koeien

Schilderij: Alfons Smeets Schin op Geul

Deze opmerking is in deze warme zomertijd de meeste gebruikte, wanneer bekenden (en soms ook onbekenden) elkaar toespreken. Volgens mij komt dat doordat er een verkleinwoord wordt gebruikt, dat de klemtoon op ‘weertje’ wordt gelegd en dat de woorden op een vrolijke, opgeluchte manier worden geuit.
Want zou je zeggen: ‘Wàt ’n weer, hé?’ en je legt de klemtoon op ‘wat’ en je klinkt ’n beetje sikkeneurig, dan weet je direct dat het buiten regent, stormt of te koud is.
Volgens mij is het weer het meest besproken onderwerp in ieders mensenleven. Ik laat me er hier ook door meeslepen.
Continue reading

Die Post im Walde

Die Post im WaldeIk was een jaar of twaalf oud, toen ik de liefde voor trompet ontdekte. Dat kwam doordat ik bevriend was met een trompettist, Guus Dohmen. Ik werd lid van de dorpsharmonie van Oud-Geleen en kreeg les van de dirigent Nico Dieteren (de opa van de inmiddels beroemde Stehgeiger en leider van Guido’s Orchestra).

Continue reading

Oog in oog

Oog in oog.

Gestaag wandel ik door het Zwarte Woud, stap voor stap, bergop Met mijn gedachten, vanuit het dal, naar de hoogste top. Vergezeld door de stralende warmte van de schitterende zon En de wind, die behoedzaam mijn vermoeide lijf verzorgt.

Links en rechts word ik met leven en liefde begenadigd Door het Sint Janskruid, de gele kleur ruimschoots over mijn weg uitzaaiend. Wat een pracht, ik voel mijn hart ritmisch en doortastend kloppen in mijn aderen De bosbessen lessen af en toe mijn dorst, zodat ik verder kan meanderen.

Plotsklaps sta ik oog in oog met een zorgeloos zijnd ree De diepbruine rode kleur is hartverwarmend, ik raak innerlijk verteerd. We wisselen een blik van verstandhouding met elkaar, het geeft mij vree In mijn lichaam, geest en hart, ik volg mijn weg gedwee.

Enkele seconden kijken we elkaar weifelend en onderzoekend aan Dan is er begrip, van beide kanten, zonder een spoor van schaamte. Het bos, de wind, het kruid en de bosbessen blijven bestaan In onze blikken, als wij onverdroten onze eigen weg gaan.

De weg naar de top leidt mij tot ongekende hoogten ’t Is niet de vermoeidheid, die ik voel, maar wel de droogte. Mijn mond snakt naar water, dan begint het opeens te hozen Ik schuil, samen met mijn onbekende metgezel, zonder te blozen.

Hij onder het loof van de bomen, ik zoek beschutting in een hut Ik zie hem nog steeds, in mijn gedachten, hij geeft mij nieuwe fut. Mijn weg gaat voort, bergafwaarts, naar huis, daar voel ik mij beschut In gedachten hou ik contact met de ree, oog in oog, het maakt mij verrukt.

© 2008 Jacques Smeets