Integer, net op het randje of er overheen?

Integriteit en maatschappelijke zorg zijn belangrijke begrippen binnen de politiewereld, ze zijn in veel korpslogo’s terug te vinden. Zo ook in dat van het korps Limburg-Zuid. Hier werd de afkorting P.I.M. (Professionaliteit, Integriteit en Maatschappelijke betrokkenheid) gebruikt. Dergelijke logo’s ontstonden pas na de reorganisatie in 1994. Daarvóór waren deze kernwaarden zo vanzelfsprekend dat er geen extra aandacht aan hoefde te worden besteed. P.I.M. heeft intussen het veld moeten ruimen en ervoor in de plaats staan nu de woorden waakzaamheid en dienstbaarheid hoog in het vaandel.

Mijn politieloopbaan startte, zoals dat in de jaren zeventig gebruikelijk was, aan de hand van een mentor. Die man was twee jaar bij de politie en nog niet zo lang geleden was hij door zijn eigen mentor losgelaten om zich verder zelfstandig een weg te banen door het woud van regels en taken. Ik was negentien en zo groen als gras. Ik had nog niet zoveel in te brengen in de wereld van sterke motoragenten, slimme rechercheurs en doorgewinterde hoofdagenten, brigadiers en adjudanten. Ik was al lang blij dat ik niet alleen mijn weg hoefde te zoeken.

Nauwelijks bekomen van enkele indrukwekkende ervaringen – het eerste lijk had ik intussen al gehad – draaide ik een nachtdienst met een oudere hoofdagent. Hij was sympathiek en telde zijn laatste jaren richting pensioen al af. Die bewuste collega was iemand die klaagde over het inkomen.“Hoofdagent z.v.” noemde hij zichzelf steevast, hetgeen betekende zonder vooruitzichten. Hij had nooit een hogere opleiding gevolgd en was voor de rest van zijn loopbaan gedoemd tot een leven als hoofdagent in uniform. Tegen de ochtend stopte hij de dienstauto langs de weg, stapte uit en liep zelfverzekerd via een poortje een gebouw binnen. Ik moest blijven zitten, hij was zo terug, zei hij.
Vijf minuten later kwam hij terug en kroop achter het stuur, wierp mij een geheimzinnige blik toe en zweeg over wat hij was gaan doen. Ik hield mijn mond, want ik wilde mij niet bemoeien met zijn persoonlijke aangelegenheden. Vlak voordat ik aan het einde van de dienst op mijn brommer wilde stappen om huiswaarts te keren, zei hij dat ik even aan moest gaan op het adres waar hij vannacht was geweest. Daar moest ik iets ophalen, liet hij mij op een geheimzinnige toon weten. Ik was wel benieuwd, maar voelde me niet prettig bij de gedachte dat mij wellicht een poets zou worden gebakken. Ontgroeningen waren aan de orde van de dag. Toch reed ik er naartoe en nieuwsgierig liep ik het poortje binnen.

Op het adres was een overslagbedrijf voor groente en fruit gevestigd. Binnengekomen zag ik een paar mannen met kisten sjouwen. Een man op leeftijd, gehuld in een stofjas en met een zelf gedraaide sigaret achteloos bungelend in de mondhoek, kwam op mij aflopen. Hij mompelde iets onverstaanbaars en wees naar een kistje met groente en fruit dat in een hoek stond. “Voor jou, neem maar mee”, zei hij op een manier alsof hij dit dagelijks deed. Ik bloosde en zei dat ik dat niet kon aannemen, dat ik het sowieso niet kon vervoeren omdat ik met de brommer was. Een andere manier om me er onderuit te praten kwam niet in me op.

Zó ging dat dus, dacht ik bij mezelf. Die oude hoofdagenten met hun karige inkomens vulden op die manier hun tekorten aan. Gevoelens van schaamte en gewetenswroeging maakten zich van mij meester. Was dit nu corruptie? Werden hier mijn integriteit en ambtseed aangesproken? Tegelijk dacht ik dat ze thuis wel een extra presentje zouden kunnen gebruiken, in zo’n groot gezin waar ieder dubbeltje omgedraaid werd. De behoefte om mijn ouders een plezier te doen won het van de schaamte en van de gedachte dat ik corrupt zou zijn. Ik plaatste het kistje achterop mijn bromfiets, dekte het af zodat niemand kon zien wat er in zat en ging naar huis. Daar vertelde ik tegen mijn moeder dat de groenten en fruit van een collega waren die een eigen moestuin had. Hoefde ik tenminste niet te zeggen hoe ik er wél aan kwam. Zij hadden me gegarandeerd met kistje en al teruggestuurd.

Mijn eerste daad van schending van mijn integriteit was een feit en nu, een paar jaar voor mijn pensioen durf ik het te vertellen. Ik ben toen over het randje gegaan, dat besef ik wel. Maar de gewetenswroeging is al lang gesleten. Het was trouwens het enige dat ik daar heb opgehaald. Dat betekende echter niet dat ik nooit meer over het randje zou gaan. In die tijd was het normaal dat op zondagmorgen gratis vlaai werd gehaald bij de bakker, in sommige Chinese restaurants zeiden ze dat het eten van de baas was en hoefde je niet te betalen, op andere plaatsen werden frites en snacks aan een en dezelfde prijs geleverd. In één frituur betaalde je met een biljet van vijf gulden en kreeg je evenveel kleingeld terug. Zo viel het niet op voor de andere klanten, maar ik stond daar met het schaamrood op de kaken en wist me geen houding te geven. Wat moesten die mensen wel niet van mij denken als ze wisten wat er gebeurde?
Tijdens de nachtdienst werd er door ons soms in een melkfabriek gestort. Onder begeleiding van de mentor of andere oudere collega’s, liep ik op een nacht de fabriek binnen en zonder iets te zeggen of te vragen werd mij een fles chocolade- of vanillevla aangereikt. Dat smaakte wel, maar een hele fles leegdrinken was wel wat veel van het goede. Ik nam de fles mee en dronk deze later in de nacht leeg. Sommige collega’s kregen het voor elkaar om een halve liter in een ruk naar binnen te werken en dat viel hier en daar als een koude steen op de gulzige maag, vandaar dat deze manier van drinken door de jaren heen de betekenis van storten kreeg. Soms lagen de overblijfselen van die gulzigheid even later en enkele straten verder te wachten om door de vogels te worden opgepeuzeld.

Corruptie is van alledag, de roep om integriteit ook natuurlijk, want er zullen altijd mensen zijn die zich met hand en tand verzetten tegen dit soort gedrag. De omstandigheden zijn veranderd, want het overslagbedrijf in groente en fruit bestaat niet meer, de hoofdagent z.v. is, na nog een jaar of tien van zijn pensioen te hebben genoten, overleden. De melkfabriek heeft plaatsgemaakt voor woningen en appartementen, Chinezen komen en gaan en de frites- en snackprijzen zijn intussen al verdrievoudigd. Dergelijke praktijken komen in mijn leven niet meer voor. Met het verdwijnen van die oude garde klagende hoofdagenten is deze vorm van corruptie van het toneel verdwenen. Alhoewel? In een portret van de Nederlandse politie1 dat aan de dienders werd aangeboden, stelden de auteurs vragen aan politiemensen. Onder andere over hedendaags normafwijkend gedrag. De reacties vatten de auteurs als volgt samen:

Normafwijkend gedrag binnen de politie (naggen) was alleen maar bekend uit het verleden of van een ander korps. Heel vroeger gebeurde dat misschien, maar dat speelt nu allang niet meer, zelfs niet met de komst van de Euro, toen alles duurder werd; dat zou zwakke plekken kunnen creëren, maar het gebeurde niet. Liever werk jij je de vernieling in dan dat je wat aanneemt.”

De cynische ondertoon is niet weg te moffelen.

Het mentorschap verdween in de jaren tachtig. Andere vormen van studentenbegeleiding deden hun intrede. Openlijke corruptie, in de vorm van het aannemen van materiële zaken, verdween naar de achtergrond of in elk geval uit het zicht. Tegelijkertijd nam de aandacht voor integriteit toe, uiteraard in samenhang met professionaliteit en maatschappelijke betrokkenheid. Waar gezag, macht en geld voorkomen is ook corruptie. Dat is volgens mij een universele ongeschreven wet. Ik zie die wet tot uitdrukking komen in een natuurlijke wetmatigheid. Dit begrip heeft mij gedurende m’n hele politieleven begeleid. Het is in mijn beleving altijd en overal zichtbaar aanwezig, binnen en buiten de politiewereld, niet alleen in Nederland maar over de hele wereld. Blijkbaar zijn omkoping en verdorvenheid menselijk en zou het alleen maar bij de wortel kunnen worden aangepakt. Nieuwe strijders tegen corruptie, nieuwe wetten en regelgeving, convenanten en principeafspraken kunnen kennelijk geen einde maken aan deze praktijken.

Mensen zullen het randje blijven opzoeken en er overheen gaan, het randje is immers ook door mensen gecreëerd. Politiemensen zijn geen heilige boontjes. De uitdrukking met boeven vang je boeven krijgt opeens een bijzondere betekenis.

Evolutie is slechts het natrekken van bestaande patronen. De omstandigheden veranderen, dat is juist, maar in de kern blijft alles hetzelfde. Derhalve zullen er ook binnen de nieuwe lichtingen politiemensen zijn die hun integriteit geweld aandoen, in de uiterlijke vorm anders, maar innerlijk hetzelfde. Ook deze mensen zullen over het randje gaan, dat door hun zelf is gecreëerd.

Ik ben ’n stuk geruster nu.

1 Waakzaam en dienstbaar door Hans van den Brink, Angelica Molter en Antien Aletrino

Laat een bericht achter.